Religie en (bij)geloof

Lotsbestemming:

Voor Thorwalers is het leven in hoge mate afhan­kelijk van het lot en dat begint reeds bij de geboorte, want vanaf dan staat een mens onder het patronaat van Runjas. Dit zijn creaturen uit het gevolg van Ifirn die als lotsgodheden worden vereerd en die de lotstaak van een persoon bepalen. Deze moet moeite doen om deze te weten te komen en uit te voeren, waarbij de zieners (godi) hem kunnen helpen om zijn lot te duiden. Tegen dit voorbestemde lot is geen verzet mogelijk, tenzij men zijn aanzien wil verliezen en welke Thorwaler wil dat. Alleszins mag men deze eerder fatalistische zienswijze niet verwisselen met berusting. Thorwalers verliezen niet zo snel alle hoop en na donkere tijden komen er toch betere, niet? Geluk en pech zijn een balans in het rad van het leven.

 

Verhouding tot de goden:

In de ogen van Middenrijkers gaan de Thorwalers zeer onrespectvol om met hun goden. Het is inderdaad zo dat zeer diepe religiositeit geen eigenschap is der Thorwalers. In de ogen van Thorwalers zijn goden onsterfelijk en alvermogend, maar daarenboven vooral zeer machtige vrienden, waartoe men zich wenden kan in tijden van nood. Men heeft achting voor hun kracht en macht en is respectvol t.o.v. hen, maar men kan hen ook uitdagen indien het lot dit verwacht.

Lichtvaardig neemt men de namen van de goden niet in de mond. Het geldt eerder als oneervol om de goden al te snel om bijstand te verzoeken i.p.v. eerst zelf te proberen om het probleem op te lossen. Indien men een god dan toch om bijstand verzoekt is het de gewoonte om de god iets aan te bieden, bijv. een weeskind opnemen om de bijstand van Travia af te smeken; een (over)moedige daad verrichten ter Swafnirs eer, enz.

 

Eerbetoon aan de goden:

Thorwaalse erediensten zijn minder geritualiseerd dan in andere geciviliseerde culturen en vinden vaak onder de open hemel plaats. Daarom zijn de meeste Thorwaalse tempels eerder klein. Bovendien wordt de tempel, anders dan in het Middenrijk, niet beschouwd als de woonplaats van de god. Men kent belangrijke feestdagen, maar men beslist zelf hoe men deze viert. Regelmatig tempelbezoek en gebed zijn weliswaar vooral in het zuiden van het land de gewoonte, maar niet verplicht.

Voedsel- en drankoffers in zijn eigen heem of op een schip zijn zeer bekend, alsook plechtige geloftes (zie net hierboven). Heem en schip gelden als heilige plaatsen.

 

Een voorbeeld van een feest ter ere van de goden: het Sumarblot:

Waar de invloed van het twaalfgodengeloof gering is, is het gebruik van dit feest ter ere van de zomerzonnewende behouden, waarbij een bloedoffer wordt gebracht. Dit offer is steeds een dier, dat kan variëren van streek tot streek. Mensenoffers worden niet gebracht, maar dit moet in vroegere tijden anders zijn geweest. Het Sumarblot dient om de kracht van Swafnir, Travia of een regionaal vereerde afgod te versterken en wordt doorgevoerd binnen de gemeenschap. De rituele handelingen worden uitgevoerd door het gemeen­schapshoofd. Het bloed van het offerdier wordt in een ketel opgevangen waarin men runenstaafjes werpt om dan het lot te kunnen aflezen. (Dit laatste gebeurt meestal door een godi (ziener)).

Bij het offer hoort uiteraard een feest waarbij het vlees van het offerdier wordt gegeten.

 

Vreemde goden:

Vreemde goden worden (meestal) niet bespot (hun aanhangers, daarentegen… J) of bestreden. Vreemde goden zijn immers nog steeds goden, maar eenvoudig weg niet de hunne. Tevens hebben de Thorwalers -in tegenstelling tot twaalfgodenaanhangers en Rastullah­gelovigen [1]– geen drang om de andere volkeren te bekeren. Het ligt bovendien niet in de aard van de Thorwalers om zich te mengen in andere geloofsovertuigingen. Religieuze disputen zijn niet aan hen besteed.

Tegen andersgelovigen zijn ze meestal vrij tolerant, in zoverre deze geen god aanbidden die hen slecht gezind is. Tot grote ergernis van het Praiospriesterschap heeft ook de in het Middenrijk als hoofdgod aanbeden Praios helemaal geen hoog aanzien in Thorwal. Men bestrijdt Praios­dienaars niet zoals het Hranngargebroed of demonenaanbidders, maar negeert hen of bespot hen.

Praktisch en open als ze zijn hebben Thorwalers er geen probleem mee om altaren en schrijnen voor een andere god op te richten als dit voor hen positief is. Waarom zou men voor de Perainepriester geen schrijn oprichten als deze een vaardige genezer is of de boze vloek van een heks heeft ongedaan gemaakt. Zulke “bekeringspogingen” blijven echter meestal slechts in stand zolang als deze gewijde zelf leeft.

Dit liberale denken der Thorwalers heeft ook zijn keerzijde. Dienaars van duistere cultussen (zoals de Naamloze) hebben het vaak gemakkelijk om Thorwalers te ‘bekeren’ en hun ware bedoelingen te verdoezelen. Het feit dat ook in het buitenland de Thorwalers zich meestal niet inmengen in de religieuze zaken van de anderen, daar waar twaalfgodengelovigen zich al lang zouden gemoeid hebben, zorgt ervoor dat ook hier allerlei duistere cultzaken achter hun rug kunnen plaats hebben.

 

De Thorwalers vereren in de eerste plaats Swafnir, Travia, Firun en Ifirn! Efferd wordt als oergod beschouwd. De invloed van het Middenrijk heeft echter -vooral ten zuiden van de Hjaldorbergen- ook de kennis van andere goden van het door de Middenrijkers aanbeden Twaalfgodenpantheon gebracht, nl. Ingerimm, Rondra, Phex en Tsa.

 

Eigen goden:

–     Swafnir: goddelijke hetman, beschermheer en leermeester die beschut tegen de grillen van de oergod Efferd.

Swafnirs taak is vooral het beschermen van de wereld tegen de godslang Hranngar en haar gebroed der zeeslangen.

Swafnir openbaarde zich aan de Hjaldingers tijdens hun overvaart/vlucht vanuit Gulden­land naar Avonturië als ze hun oude goden vol toorn en verbittering afgezworen hadden. De walvisgod belichaamt alle eigenschappen der Thorwalers: vrijheidsdrang, ongebandigde kracht, stille wijsheid, razende toorn, zorg voor de zijnen en de moed voor dit alles te vechten t.e.m. het einde en daar voorbij.

Swafnirtempels vindt men in bijna alle steden. Ze zijn rijkelijk versierd met trofeeën en offergaves en er hebben vaak dankvieringen plaats.

Er zijn geen heilige plaatsen van Swafnir, want vrijgevochten als hij is, kent de goddelijke walvis geen vaste plaats waar men hem ontmoeten kan. Vrij doorzwemt hij de zeeën.

De witte potvis is het heilige dier van Swafnir, maar eigenlijk is elke walvis de beli­chaming van Swafnir. Walvisjacht is dus voor Thorwalers erger dan moord en walvis­vaarders worden genadeloos vervolgd.

–     Travia: Meegebracht uit Guldenland is Travia voor de Thorwalers de belichaming van de moeder die de bevriezende familie bij hun thuiskomst aan de warme haard ontvangt. Ze staat voor trouw aan de gemeenschap en de familie. Haar symbooldier is de gans.

Haar betekenis als hoedster van de echtelijke trouw, zoals bekend in het middenrijk, is amper bekend.

De ergste vloek die een Thorwaler zich kan voorstellen is een vloek van Travia, nl. rusteloos en heimatloos te zijn, waardoor vogelvrijheid als zwaardere straf dan de dood wordt aanzien.

In het zuiden neemt Travia vaak de rol van Ifirn over (zie hieronder).

–     Firun en Ifirn: Volgens het geloof der Thorwalers zijn Firun en Ifirn goddelijke broer en zus in innige liefde verbonden, maar toch totaal tegengesteld. Dit in tegenstelling tot het geloof der Middenrijkers die Ifirn zien als dochter van Firun.

Firun en Ifirn hebben zich pas openbaard aan de Thorwalers na hun landing in Avonturië.

Firun is de belichaming van het alles verslindende wereldijs, de verpersoonlijking van wat vijandelijk is aan het leven. Hij waakt over de zee en het land met ijzige kilte. Dit is echter totaal geen boosaardigheid, zoals bij Hranngar, maar eerder omdat het Firuns oereigen natuur is. Hem aanroepen heeft geen zin, want hij kent geen genade, doch hij verdient groot respect, want het licht in de macht van de heer van het leven en de dood om je levenslicht te doven. Zijn symbooldier is de firunbeer (Aards: ijsbeer).

Nog meer dan de zee en de storm is het ijs voor Thorwaler een uitdaging, alhoewel men weet dat men nooit winnen kan, maar wel kan overleven. Firun staat dan ook voor het harde overlevingsgevecht.

Firuns zuster Ifirn heeft macht over de gevreesde winter. Zij geldt als schepster van al het leven, schenkt mens en dier de vruchtbaarheid en laat planten groeien. Ze heeft het dan ook goed voor met de mensen.

In het noorden krijgt ze soms de rol van Travia toebedeeld.

Op vele plaatsen gelooft men dat Ifirn de gade is van Swafnir en dat ze tezamen vele mythische creaturen hebben verwekt.

Haar symbooldier is de zwaan.

 

De overigen uit het twaalfgodenpantheon:

–     Efferd: Efferd geldt als oergod, een macht die eenvoudig weg ‘is’ en eeuwig zal zijn, maar die men niet hoeft te vereren, want zijn opmerkzaamheid wint men toch nooit. Men kan hem niet aanroepen en niet vleien. Op deze wijze wordt Efferd vaak gelijkgesteld met de eeuwige Los (oergod in het Middenrijks pantheon). Slechts zelden treedt hij op als handelend persoon, maar indien toch dan vaak als eeuwige rechter over mensen en goden.

Efferd kan tevens vergeleken worden met het element water dat men net als de andere elementen ook niet aanbidt, maar toch kunnen we niet zonder.

Thorwalers kunnen niet begrijpen dat Efferdpriesters het wezenloze water aanbidden en vinden dit zinloos. Het symbooldier van Efferd, de dolfijn, wordt echter ook bij Thorwalers als geluksbrenger aanzien. Aldus behoren walvissen en dolfijnen tot de meest geliefde motieven voor tatoeages, amuletten, enz.

–     Rondra wordt in zoverre ze verering vindt, eveneens als elementaire godheid aanzien, het zinnebeeld van het razende natuurgeweld, in ’t bijzondere dan de storm die zich met de zee verbindt middels de orkaan.

Als godin van de eer de strijd en het krijgsambacht heeft ze geen beduiding in Thorwal.

–     Phex: wordt aanzien als de god van het geluk en de list. Hij is voor hen de god der schelmen en de schelm der goden. Phexdienaars worden geapprecieerd als ze zich tot dit aspect van de godheid beperken. Het dievige aspect van de godheid wordt anderzijds niet geapprecieerd. Phextempels zijn een zeldzaamheid en er is slechts één geheime tempel van Phex in gans Thorwal, gelegen in Kseaperch. J

–     Peraine is geen godin der Thorwalers. De godin van de landbouw en de genezing wordt dan ook meestal door vreemdelingen aanbeden. [Misschien is het dan ook hierdoor dat de genezingskennis der Thorwalers eerder mager uitvalt!]

–     Praios wordt beschouwd als de zendbode van hen die hen kwaad willen/wilden doen. Het is de hoofdgod der Canteranen waarvoor de Hjaldingers zijn moeten vluchten vanuit Guldenland naar Avonturië. De huidige middenrijkers en Horatiërs zijn afstammelingen van deze Canteranen en dragen Praios hoog in het vaandel. Het is dan ook te begrijpen dat ten eerste deze volkeren niet steeds op evenveel goodwill kunnen rekenen (alhoewel de relaties tegenwoordig wat gestabiliseerd zijn) en ten tweede Praiospriesters op niet veel bijval kunnen rekenen en zelf bespot worden in Thorwal.

 

Hranngar: Al het slechte en boze van de wereld gaat van de titanenslang Hranngar uit. In een dodelijk gevecht verwonden de goddelijke walvis en de titanenslang elkaar voortdurend. Vermits ze beiden echter onsterfelijk zijn, begint hun gevecht steeds opnieuw en blijft duren. Wanneer Swafnir aan het einde der tijden, tezamen met zijn kinderen, de Thorwalers, Hranngar zal vernietigen, dan betekent dit ook het einde van de bekende wereld middels over­stromingen en enkel diegene die reeds eeuwen de golven bedwingen, nl. zijzelf zullen over­leven en het goddelijke paradijs van Swafnir bereiken.

De vijf sterrenloze dagen op het einde van het jaar (tussen de vinmaand en de midzonmaand) worden Hranngardagen genoemd en tijdens die tijd zijn er allerlei afschrikwekkende wezens ter zee, zodat Thorwalers het zullen vermijden tijdens die dagen uit te varen en aan land zullen blijven.

 

De Naamloze:

In het Middenrijk is de Naamloze of de naamloze god (ook rattenkind) genaamd de verper­soonlijking van al het kwade en was voor de Thorwalers onbekend tot voor de Middenrijkse bezetting. Wordt een Thorwaler in gesprekken met Middenrijkers, Horatiërs, … met de Naamloze geconfronteerd zal hij hem in het gevolg van Hranngar plaatsen en cultisten als ze op deze manier worden herkend, hardnekkig bestrijden.

In het hoge noorden kan het echter nog vaak voorkomen dat men nog nooit van de Naamloze heeft gehoord, wat beïnvloeding van de open Thorwalers door doortrapte cultisten mogelijk maakt.

Typische reactie van Thorwaler die nog niet van de Naamloze gehoord heeft: “Wat heeft die dan voor ergs gedaan, dat men hem zijn naam heeft afgenomen?”

 

Bijgeloof:

Het bijgeloof der Thorwalers is spreekwoordelijk en bepaalt zelfs het alledaagse leven.

Volgende opsomming kan als voorbeeld dienen, er is echter ontelbaar meer:

–     Walvissen zijn een goed voorteken, drinken van het uitgespoten water van een walvis geeft het eeuwige leven en geneest ziekten.

–     Opvallende wolkenformaties, vooral langgerekte, diepe wolken (zoals ze in de zee der zeven winden kort voor een orkaan opduiken) verkondigen de nabijheid van zeeslangen.

Het rommelen van een orkaan betekent het grollen van allerlei monsters.

De aanblik van zeeslangen probeert men af te weren middels blinkende amuletten en tatoe­ages.

–     Wanneer een schip dan toch eens met een zeeslang in contact is gekomen mag het pas aan (Thorwaals) land komen indien een eenvoudig reinigingsritueel is volbracht aan schip en bemanning.

–     Tijdens de Hranngardagen (de vijf dagen tussen 30 Rahja/vinmond en 1 Praios/midzonmond) gaat geen vernuftige Thorwaler de zee op. Ten eerste is navigatie bemoeilijkt vanwege de sterrenleegte en men vreest bovendien allerlei Hranngargebroed te ontmoeten. Ook aan land vreest men het verschijnen van zeeslangen en men gaat hen te lijf met vuur, vrolijke feesten of verstopt zich in zijn heem tot deze dagen voorbij zijn.

–     Dolfijnen gelden als goed voorteken voor zeevaarders, alsook meeuwen die een schip bij de uitvaart begeleiden.

Raven (die overigens in het Twaalfgodenpantheon het symbooldier van de doodsgod Boron zijn) worden als ongeluksbrengers beschouwd indien ze zich bijvoorbeeld op de mast neervlijen.

–     Ook als een roeier zijn roeispaan uit zijn handen laat glippen, betekent dit ongeluk.

–     Vele ottajasko’s dulden geen toverkundigen (ook geen elfen) aan boord, andere dan weer enkel die toverkundigen die tot hun gemeenschap behoren.

–     Van dwergen wordt gezegd dat ze elke dag die ze op een schip doorbrengen zwaarder worden tot ze uiteindelijk het schip tot zinken brengen.

–     In nevel kunnen de geesten van verdronkenen of in ’t algemeen gestorvenen verschijnen en daarom zwijgt men in de nevel opdat de geesten hen niet zouden opmerken.

–     Bij een zonsverduistering gelooft men dat Hranngar erin geslaagd is om de zon te vangen en in haar muil te houden. Ze moet ze echter terug uitspuwen omdat ze te heet is.

–     Door het noorderlicht waarschuwen de doden de levenden voor onheil. Anderen beweren dat het hier om Hranngars boze oog gaat.

–     Vooral kustbewoners vrezen dichte, geheimzinnige wouden waarin allerlei monsters, woudgeesten e.d. kunnen huizen.

–     Druïden en heksen kunnen met dieren spreken.

–     Vermits de meeste Thorwalers open zee gewoon zijn, boezemen enge spelonken en bijvoorbeeld de dichte zuidavonturijnse jungle hen angst in.

–     De woestijn moet wel een vervloekte plaats zijn, want wat kan anders een waterloze plaats zijn. Niet moeilijk dat de bewoners, de Novadi’s hier een nieuwe god (Rastullah) hebben gezocht.

 

 

Magie in Thorwal

Thorwal bezit twee magieacademies. De magieschool van Thorwal met specialisatie in waarnemingsmagie behoort tot het Grijze Gilde. De magieschool van Olport met specialisatie in elementale magie werd wegens verschillende redenen uitgesloten uit het Grote Grijze Gilde.

 

Ondanks dat magie of beter het (bij)geloof eraan vast verankerd is in het alledaagse leven, wordt magie -en dit in tegenstelling tot de magiescholen- niet als een ambacht beschouwd. Hoe men t.o.v. magie staat varieert tussen eerbied en vrees.

Met groot scepticisme worden echter alleszins druïden en heksen bejegend, temeer deze vaak eenzelvig leven en wie als eenzaat door het leven gaat en niet tot en gemeenschap behoort, moet toch wel iets op zijn kerfstok hebben, niet?

 

In gans Thorwal zijn er in verhouding tot andere culturen relatief veel magiedilettanten [2]. Dit komt omdat er slechts weinig magiebegaafden tijdig ontdekt worden en een opleiding verkrijgen, zij het als magiër, druïde, heks of iets anders.

 

 

Enkele belangrijke personages in Thorwal:

Jurga Trondesdottir:

Jurga Trondesdottir is de opperste hetvrouw van Thorwal. In tegenstelling tot de (vooral noordelijke) Thorwalers bewaart ze haar kalmte ook in verhitte situaties, een eigenschap die veel Middenrijkse heersers normaal vinden, maar bij het eigen volk weinig weerklank vindt. Koppig en moedig, zo stellen de Thorwalers hun leiders voor. Moedig is de dochter van de in het noorden verdwenen voormalige hetman Tronde Torbenson alleszins en misschien wordt ze nog even succesrijk als haar grootmoeder, hetvrouwe Garhelt.

Tula von Skerdu:

De eeuwige jonge heks met de opvallende getatoeëerde schedel wordt als de koningin van de heksen van Thorwal beschouwd en ze weet verdomd goed hoe ze deze reputatie moet doorzetten. Ze woont afgelegen van de weinige vissersdorpen op het eiland Skerdu in haar ottaskin. De bewoners van Skerdu hebben angst voor deze stevig gebouwde vrouw, maar weten dat Tula hen met rust zal laten als ze zich niet met haar zaken moeien.

Sinds onheuglijke tijden zeilt Tula steeds weer naar Al’Anfa in haar geheimzinnig draken­schip met zwarte zeilen om haar private veldslag tegen de slavernij te voeren. Waarom, weet niemand. Tula’s bemanning schijnt in een duistere, verslavende liefde voor haar gevallen te zijn en volgt haar tot in de hellekrochten.

Er wordt zelfs gefluisterd dat Tula zelfs Boron, de god van de dood en de slaap, zou uitge­daagd hebben.

Tegenwoordig proberen de heksen onder haar machtsinvloed uit te geraken. Het is niet moeilijk om te denken dat Tula dit niet over haar kant laat gaan.

 

Bridgera Karvsolmfara:

Deze grijze hogepriesteres van de Swafnircultus geniet in Thorwal het hoogste respect. Ze wordt als onomkoopbaar beschouwt en moeit zich niet in de politiek. Als raadgeefster wordt ze hoog geacht. De laatste jaren houdt de oude gewijde zich vooral bezig met religieuze vorsingen naar de wortels der Thorwalers. Daarom is ze nog maar weinig in de stad Thorwal te vinden, maar brengt veel tijd door in Olport, samen met haar vriend Haldrunir Windweiser, de specta­biliteit [3] van de Olportse magiërsschool.


[1] Rastullah­gelovigen: Novadi’s

[2] magiedilettanten: Magisch begaafde personen die geen opleiding hebben gehad en het geluk of de pech hebben dat een deel van deze magie intuïtief tot uiting is gekomen en behulpzaam kan zijn bij de uitoefening van bepaalde talenten of een beroep, een zeer klein arsenaal aan spreuken of een “beschermgeest”.

[3] spectabiliteit: titel van een academiehoofd (te vergelijken met het Aardse ‘decaan’)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s