Cultuur

Eer:

Er is zo goed als niets dat belangrijker is voor Thorwalers dan eer en faam bij het nageslacht. Hierbij hoort o.a. dat een eenmaal gegeven woord niet gebroken kan worden, zonder eerverlies. De Thorwaalse eed “Mijn woord, jouw pand” wordt enkel bij rituele en belangrijke aangelegenheden uitgesproken. Deze in vraag stellen is een zekere methode om een Thorwaler tot vijand te maken.

Wie zich oneervol gedraagt, zal enkel spot en verachting van zijn medemensen oogsten.

 

Gastvrijheid:

Het kan misschien vreemd lijken, maar Thorwalers zijn zeer gastvrij en het is voor hen zelfs een belediging als bezoekers niet iemand voor waardig vinden om voor hen gastheer te zijn!

 

 

Moed en overmoed:

Thorwalers houden van uitdagingen en ze meten zich graag met elkaar, met heldendaden als gevolg. Uit moed groeit echter vaak lichtvaardige overmoed. Vooral Thorwaalse krijgers neigen ertoe om in hun streven om zich bij Swafnir te bewijzen (om later, na hun dood aan zijn zijde te strijden) zich onbedachtzaam in gevaarlijke situaties te begeven waaruit ze dan -hopelijk- nog door hun kompanen kunnen gered worden.

 

Genade:

Thorwalers zijn gekend voor hun hardheid en taaiheid. In een (echt) gevecht kennen ze geen verschoning en een (bewapende) tegenstander die om genade vlijt, zal enkel verachting oogsten.

Ondanks al deze hardheid kennen de Thorwalers geen folter e.d. Ze kunnen überhaupt niet begrijpen hoe en waarom men een weerloos slachtoffer zou kunnen pijnigen.

 

Trouw (loyaliteit):

Vermits de (woon)gemeenschap erg belangrijk is voor Thorwalers is trouw aan deze ook beduidend. In ottajasko’s en sibben wordt bij de ottajara een eed van trouw afgelegd (de trygdar-eider) die de nieuweling aan de gemeenschap bindt. Deze eed wordt jaarlijks fees­telijk vernieuwd. Anders dan bij een eed van gelofte tussen vazal en leenheer, zoals in de feo­dale staten, zweert een Thorwaler hier dat hij ieder van de gemeenschap zal bijstaan, ieder zweert dus trouw aan ieder.

Een speciale eed van trouw is de ‘trulofa’, die gezworen wordt tussen wapenbroeders, die elkaar zo mogelijk tot zelfs voorbij de dood zullen bijstaan.

Tweeledig staat men tegenover afgekochte trouw, zoals bij soldeniers. Indien men moet kiezen tussen loyaliteit t.o.v. zijn gemeenschap en zijn broodheer, zal men het eerste verkiezen. Bovendien kan een afgekochte belofte door een hoger bod worden vrijgekocht, zodat een krijgsheer niet moet opkijken indien hij zijn ingehuurde soldeniers ziet opduiken bij de tegen­partij.

 

Schimpen en vloeken:

De Thorwalers zijn vermoedelijk het enige volk dat uitschelden tot kunst heeft verheven. Fantasieloos schelden wordt bespot en veracht, nog erger is het een antwoord schuldig te blijven. Wie een tegenstander kunstvol kan bespotten en uitschelden heeft hem eigenlijk overwonnen. In een woordgevecht het onderspit delven, betekent dat het geluk je verlaten heeft, voor aanvoerders alleszins een slecht (voor)teken.

Met (ver)vloek(ing)en gaan Thorwalers niet zo lichtvaardig om. Iemand vervloeken betekent letterlijk hem alle pech toewensen. Het is het laatste wapen van een vertwijfelde en bovendien een arglistige manier om iemand aan te vallen. Een vloek komt dan ook steeds uit het diepste van het hart en men is overtuigd dat ze werking heeft.

 

Spotten:

Thorwalers houden van lachen, zowel over het ongeluk van anderen als over zichzelf. Wie niet over zichzelf kan lachen is een zuurpruim.

 

Toornigheid/heethoofdigheid

Dit is een eigenschap die bijna alle Thorwalers bezitten en zelfs de meeste rustige hetvrouw in een furie kan veranderen. Wat dit uitlokt, is vaak onduidelijk, vermeende ongerechtigheid, een belediging, een onbezonnen opmerking over de Thorwaalse keuken,… Alleszins brengt dit de persoon vaak in moeilijkheden.

 

De Thorwaalse taal:

Net als het Garethi heeft het Thorwaals zijn wortels in Guldenland. Het huidige moderne Thorwaals heeft echter nog maar weinig gemeen met de oorspronkelijke taal der voorouders, het (oud-)Hjaldings. Het Saga-Thorwaals is een tussenvorm tussen de twee en wordt nog steeds gesproken bij het eenvoudige volk.

Het huidige Thorwaals heeft veel regionale verschillen. Het lijkt haast alsof het noorden wat achterop hinkt t.o.v. het zuiden. In het zuiden worden talrijke leenwoorden gebruikt vanuit het Garethi, waardoor bijv. een Nostriaan en een zuidelijke Thorwaler elkaar kunnen verstaan indien ze langzaam spreken. In het noorden zijn dan weer leenwoorden vanuit het Nivesisch [1] in gebruik.

Vanwege de nabijheid met Orkland zijn ook Orkse uitdrukkingen in gebruik.

Het Gjalkisch en het Fjarnings behoren eveneens tot de Thorwaalse spraakfamilie.

Belangrijk om weten is tevens dat in de Thorwaalse taal geen hoffelijkheidsvorm bekend is. In het Thorwaals zijn er aldus geen woord voor “u”, “uwe”. Elkeen wordt met jij/gij aange­sproken of men nu visser, boer, hetman of priester is. Dit is voor Thorwalers moeilijk af te leren en levert wel eens problemen in het buitenland. Zelfs de voormalige hetman der hetlieden Tronde Torbenson heeft ooit de horas (titel van de keizerin van het Liefelijke Veld) getu­toyeerd tijdens zijn staatsbezoek!

In zuidelijk Thorwal worden heden ten dage de Kuslikse tekens aangeleerd en gebruikt. Dit is het schrift waarin het Garethi wordt geschreven. Het is het meest gebruikte schrift van het continent. [Dit kan Aards dus vergeleken worden met het Duitse schrift of dus ook het Nederlandse schrift.] In noordelijk Thorwal bedient men zich nog steeds van de 38 tekens van het Saga-Thorwaals of Hjaldings. Over deze tekens (in het Thorwaals Hjaldinga-runi) wordt gezegd dat ze magische krachten zouden bezitten. Men vindt ze dan ook bijv op deurposten en schepen.

Op de Olportstenen (eilandengroep) worden, en dit tegen de gangbare gewoonten in, de gebruiken e.d. opgeschreven in de zogenaamd hofboeken.

 

Naamgeving:

De Thorwalers hebben een speciale manier van naamgeving voor hun kinderen. Vader of moeder (of beiden) bepalen de voornaam voor hun spruit. Hierover is men het vaak snel eens. De achternaam wordt dan echter diegene van de vader of de moeder, waarachter “dottir” (=dochter) of “son” (= zoon) wordt geplakt. Het is niet zo (zoals bij dwergen) dat de zoon de naam van de vader krijgt en de dochter de naam van de moeder, omgekeerd kan evenzeer. Indien beide ouders het er niet over eens geraken wie de naamgever/geefster zal zijn, wordt er vaak een robbertje om geworsteld.

Voorbeelden:

– Janda Jurgesdottir = Janda dochter van Jurge.

(Vader) Jurge kan dan bijv. Jurge Swafnildason (=Jurge zoon van Swafnilda) heten.

– Arve Eirikson = Arve zoon van Eirik, die op zijn dan bijv. Eirik Norhildson (= Eirik zoon van Norhild), die dan op haar beurt weer Norhild Thorfinnadottir kan heten (= Norhild dochter van Thorfinna) enz.

De verkleinende achtervoegsels ‘ske’ of ‘ke’ (mannelijk) en ‘je’ of ‘ja’ (vrouwelijk) worden vreemd genoeg vooral bij degelijke helden gebruikt. Een voorbeeld is de naam van de beroemde opperste hetman Thurske, wat gewoonweg ‘vechtertje’ betekent.

Veel Thorwalers verkrijgen tijdens hun leven een bijnaam middels roemrijke daden, bijzon­dere eigenschapen of gewoonweg gelukkige voorvallen. Deze bijnaam vervangt dan vaak de afstammingsnaam. Akja Thinmarsdottir wordt dan bijv. Akja Skadikona, m.a.w. Akja de doodslaagster of Laske Liflindson wordt Laske de gandmader, wat Laske de magiër betekent, enz…

[Een lijst met typische Thorwaalse namen vind je helemaal achteraan.]

 

Geneeskunde

Het beroep van medicus is in Thorwal met uitzondering van de hoofdstad amper bekend, helemaal te zwijgen van academisch opgeleide artsen. Niettegenstaande heeft men veel respect voor een läknir (arts, wondarts). Meestal moet men zich echter beperken tot de overleverde kennis van kruidenkundige helers en goden (niet de Goden, maar meervoud van godi = ziener, wijze). Op elke hof is er wel iemand die er kennis van heeft om wonden te verzorgen en kleine ziektes te behandelen. Alleszins is diens kennis snel ten einde als uit de lichte ziekte een hardnekkige koorts ontstaat of een bot gespleten is. Een dorp dat een werkelijke heelkundige onder zijn bewoners heeft, is te benijden. Staat er geen heelkundige ter beschikking dan is de zieke aan de genade van de goden overgeleverd. Vermits echter de Thorwalers voor hun taaie natuur gekend zijn en gehard zijn door het rauwe klimaat, laten ze zich niet zo snel door ziekte of wondpijn bedwingen.

De verhouding tot de heelkundige is echter niet zonder achterdocht. Velen zijn wantrouwig t.o.v. hen omdat het wel eens een seidkona (heks) of een visendamader (druïde) zou kunnen zijn. Het Thorwaals begrip “heilari” betekent dan ook zowel heler/genezer als gifmenger! Vele heelkundigen in Thorwal zijn magiebegaafden, zij het dan magiedilettanten. … Overigens, Thorwalers vrezen wonden die tot het verlies van hun ledematen leiden omdat dit betekent dat ze na hun dood Swafnir in de beslissende eindstrijd tegen Hranngar slechts beperkt zullen kunnen bijstaan. Dit gaat zover dat men op sommige plaatsen geen kreupele Hetman/vrouw wil. Een Thorwaals spreekwoord zegt:”Wie niet op zijn armen en benen kan passen, kan dat ook niet op zijn familie”.

Rondtrekkende tandentrekkers en wonderdokters wezen hierbij ook gewaarschuwd dat Thorwalers moeilijke patiënten zijn en als ze het gevoel hebben bij de neus te worden genomen, dan kan ook een koorts ze er niet van tegenhouden om de charlatan ter rekenschap te laten komen.

 

Dood en begrafenis:

Het meest gekend onder buitenlanders is het in zee laten verdwijnen van een brandend schip waarop het lichaam van de overledene gelegd is. Vermits dit voor de meeste gemeenschappen echter totaal onbetaalbaar is, komt dit enkel voor bij belangrijke personen. Aan de kust plaatst men het lijk op een vlot dat brandend aan de zee wordt overgeleverd. Ver van de kust af wordt er zoveel mogelijk op dezelfde wijze ‘begraven’. Voor hetlieden en hersiren richt men echter grafheuvels op. Dit kan een stenen graf zijn in de vorm van een langschip (otta) of een aarden heuvel in de vorm van een potvis (olport(wal)vis), soms is het zelfs een graf in de vorm van een huis. In het Waskirse hoogland begraaft men ook doden van lagere afkomst in een graf­heuvel, ook al is deze dan kleiner dan die van een persoon die hoger in rang is. In Svegan en omgeving begraaft men de doden, verzwaard met stenen in het moeras tezamen met hun graf­giften.

Meestal is het de gewoonte om een derde van de bezittingen van de overledene aan zijn naaste verwant te geven, een derde aan de gemeenschap te schenken en een derde als grafgift mee te geven. Het lievelingsbezit van de dode wordt bijna steeds ook als grafgift meegegeven.

De ‘dienst’ wordt meestal geleid door het hoofd van de gemeenschap, zijn plaatsvervanger of het oudste kind. Gewijden hoeven geen bijzondere beduiding te hebben. Treur om de dode staat niet centraal, wel de trots over zijn daden zodat iedereen iets over de dode vertelt, zijn geschiedenis, zijn houding, zijn heldendaden, maar eveneens leuke anekdotes.

 

Tatoeages:

Zich laten tatoeëren is zeer geliefd bij Thorwalers. Dit kan in ongelooflijk veel vormen, nl. ornamenten, beschermings-  en afschrikkingstekens, banden, heilige en magische symbolen, gewoon een mooie tekening, enz.

Thorwalers kennen vooral veel symbolen die worden gebruikt als afschrikkingsteken, afweer tegen ziekten, tegen toverij, voor een goede reis, enz. Ook zeebewoners, vooral uiteraard walvissen en dolfijnen, zijn zeer in trek.

Een bijzondere betekenis heeft de bloedrode Swafnirrune, die elk Swafnirkind (berserker) moet dragen. Onder de krijgers van de hetskari (garde der opperste hetlieden) is het beeld van de potvis in een golfring verspreid. Dit symbool is een ereteken en het namaken geldt als eerloos.

 

Thorwaalse keuken:

De kookkunst der Thorwalers kan in het buitenland op weinig bijval rekenen vanwege de vreemde ingrediënten: gerookte vis met houtbessenmoes in dikke rapensiroop, gesuikerde speltebrei met schapenvlees en stokvis, Olportse honingham van schapenvlees, enz.

De alledaagse kookkunst beperkt zich meestal tot stamppot en allerlei gebraad aan ’t spit. De combinatie van hartig of zuur met zoet wordt geapprecieerd, alsook fruit bij kruidige maaltijden.

Vis, kool, spinazie, rapen en natuurlijk bier zijn de voornaamste voedingsbronnen. Ook melk, karnemelk en kaas is belangrijk, vooral omdat dit laatste lang kan bewaard worden. Fruit beperkt zich meestal tot zure appels en wat bessen. Vooral in het noorden is vlees ook een belangrijk deel van het menu.

Omdat Thorwalers niet zo ’n beste jagers zijn, wordt wild niet zo vaak gegeten. Sneeuw- en moerhoen, wilde eend en orklandkonijn behoren tot de meest gangbare buit, terwijl wild dat een langere jacht noodzakelijk maakt, zoals karen en hert weinig op de tafel komt te staan.

Het vlees van de zeetijger (Aards zeeleeuw e.d.) wordt meestal gedroogd. Walvis wordt alleen gegeten als er toevallig een walvis strandt. Dit wordt dan als een geschenk van Swafnir beschouwd. [2] Kippen en eenden worden -buiten in de grote steden en in het zuiden- zo goed als nergens gehouden. Men verzamelt wel de eieren van kustvogels en eenden. Ganzen worden wel gehouden, maar als Traviagelovigen eet men enkel de eieren.

Thorwalers zijn bijna even gek op zoetigheid als trollen. Drop, zoethout, honing en honing­melk, siroopbrood en amandelcrème zijn zeer in trek. Bijna alle spijzen worden dan ook gesuikerd met siroop. Een bijzondere voorliefde heeft men voor vanille en kaneel die beiden reeds aanleiding gaven tot bloedige overvallen en worden toegevoegd aan kruidige en zoete gerechten.

 

Drinken:

De meest bekende drank van Thorwal is het Prems vuur. Echt Prems vuur brandt met een zachte rode vlam en slechts enkele Thorwaalse sibben kennen de kunst om deze schnaps te branden. Ze hoeden hun geheim met de dood. Nagemaakt Prems vuur vindt men overal in Avonturië. Maar dit kan men best niet aan een Thorwaler schenken, want die kunnen hier hoegenaamd niet om lachen. Andere dranken zijn, de goudgele Waskirer uit spelt, de siroop­achtige honingschnaps, salzatraan genoemd en de Bodirse eikengal, een bittere en sterke drank waarvan men zegt dat zelfs elfen borsthaar krijgen. Zuidelijk der Hjaldorbergen brouwt men voornamelijk donker en krachtig bier met weinig schuim, maar ook lichtere brouwsels voor het alledaags gebruik.

Vermits Thorwalers van zoete gerechten houden, houden ze natuurlijk ook van zoete dranken, zoals honingwijn, honingbier, bessenwijn, bessenschnaps,….

Alledaagse dranken -geloof het of niet- blijven echter bronwater, melk en karnemelk.

 

Kledij:

Thorwalers houden van schitterende kleuren en opvallende patronen. Thorwalers op verre reizen nemen vaak (gedeeltelijk) de kledijgewoonten van andere volkeren over, uit praktische overwegingen of gewoonweg omdat de stoffen (damast, zijde) hen bevallen. Bovendien snoeven Thorwalers graag hoe ver ze reeds gereisd zijn en dragen daartoe een (buitgemaakt) kledingstuk uit een ver land.

De inheemse kledij bestaat vooral uit wol, leer en pels, zeldener uit linnen. Rijkdom bepaalt dan welke pels gedragen wordt; in het noorden wordt robbenvel als armtierig beschouwd, in het Waskirs hoogland is wolf en beer heel gewoon, in het algemeen geldt bever als bijzonder edel en konijn als voor de armen.

Basis vormt de tuniek, een eenvoudig knielang hemd/gewaad en een enkellange broek. Een stuk woldoek dient als omhangmantel. Aan de voeten worden klompen of eenvoudige leren schoenen gedragen. Dit is de kledij van de arme Thorwaler.

Rijkeren dragen ondertunieken uit linnen, daarover een enge overtuniek uit wol en een wijde broek.

Aan de voeten worden schoenen of laarzen uit geitenleer gedragen die vaak versierd zijn met borduurwerk.

Bij slecht weer worden met pels gevoerde mutsen en hoeden gedragen of de uit het Middenrijk overgenomen capuchon die ook schouders en borst bedekt.

In noordelijk Thorwal zijn ook lederen kappen geliefd.

Op tocht is mannen- en vrouwenkledij gelijk. Aan het thuisfront is er verschil en dragen vrouwen zowel broeken als rokken en kleden.

Een typisch kledingstuk dat in gans Thorwal verspreid is, is de uit een zeer mooi berenvel gesneden pronkmantel, waarvan de pels naar binnen wordt gedragen en de leren buitenzijde versierd wordt met borduurwerk van bijv. zeeslangen, draken, beren, wolven, fabeldieren, runen en kronkelornamenten. Deze pronkmantels zijn voorbehouden voor jarls, hetlieden, hersiren en belangrijke skalden.

 

Wapenrusting:

Op zee wordt vooral de paddenhuid (een lederen rusting met ijzeren nieten beslagen) gedragen. Aan land worden maliën gebruikt om zich tegen zware verwondingen te beschermen.

De riddari (bereden krijgers) dragen maliënmantels. Af en toe ziet men ook maliënkappen. Begoede personen dragen een schubbenpantser dat meestal enkel net voor de strijd wordt aangetrokken en vanwege het gewicht zeker niet aan boord gedragen wordt.

Armere personen dragen een knielange uit stof bestaande gepolsterde wapenrok. Zelden ziet men ook wapenrokken uit leder. Indien men deze met nieten beslaat, verkrijgt men de voornoemde paddenhuid, het meest gedragen uitrustingsstuk in gans Thorwal.

 

Zoveel als mogelijk zal een strijdende Thorwaler zijn hoofd beschermen met een helm met eventueel een brilachtige oogbescherming en een maliënkap om de nek te bedekken.

Ook andere helmtypes zijn in trek.

 

Bijna elke Thorwaler bezit een rond houten schild, voldoende groot om lichaam en heup te beschermen. De buitenkant wordt met leder omspannen om tegen splinters te beschermen.  In het midden wordt een vuistgroot gat vrijgehouden, waarover een metalen bol wordt genageld om de hand van de drager te behoeden. Via een lederen riem kan het schild ook op de rug worden gedragen. De frontzijde wordt meestal versierd met gecompliceerde orna­menten of eenvoudige golfpatronen.

Het is voorbehouden aan jarls, hersieren en hetlui om een schild te dragen dat van een metalen kader is voorzien! Zulke schilden zijn eerder statussymbool.

Thorwaalse ronde schilden

Wapens:

Thorwalers hebben een voorliefde voor (zware) houwwapens, vooral bijlen in verschillende formaten:

–        skraja: eerder kleine dubbelbladige handbijl met een ijzeren steekdoorn boven op de bijlkop.

–        orkneus: eenbladige bastaardbijl, die door sterke personen ook eenhandig wordt gehanteerd.

–        langbijl: grote één- en tweebladige bijl

–                   
snijtand: langstelige werpbijl met gekromde steel

skraja                                     skraja                                     langbijl

snijtand

 

De bijlstelen worden vaak met ijzeren banden versterkt

 

Vaak worden ook speren ingezet, nl. langstelige lansen en korte werpsperen. Stootspeer en haailans (een ongeveer een pas lange ijzeren speer met weerhaken aan het voorste einde) zijn eerder jachtwapens.

In het noorden wordt voor het breedzwaard gekozen, terwijl in het zuiden het langzwaard langzaam in trek komt.

Thorwaalse breedzwaarden

 

In kuststreken worden entermessen gehanteerd. In het binnenland komt het hjalsmes voor (groffere en zwaardere variant van het entermes met recht lemmet).

De evervanger, een typisch jachtmes waarvan het lemmet in het midden breder is dan aan punt en stootplaatje, wordt eveneens gebruikt.

Meer werktuig dan wapen is het Olportmes, een lang, slank, eensnijdig en een weinig getand lemmet dat ideaal is voor het ontschubben van vis en het snijden van vlees.

 

Haar- en baarddracht:

Trots als ze zijn, verzorgen Thorwalers ook graag hun baarden en hoofdhaar.

Haar wordt meestal (schouder-)lang gedragen, ook vlechten zijn zeer in trek, zowel bij mannen als bij vrouwen. Overigens wordt net als bij zoveel zaken ook hier geen verschil tussen de geslachten gemaakt. Als versiering worden banden, ringen en parels gebruikt.

Het haar wordt ook gekleurd d.m.v. anjelier en kruidnagel of gebleekt met aluinsteen. Ook het invlechten van haar wordt gebezigd zodat lang haar op een strooptocht als buit kan beschouwd worden.

Dat vreemdelingen hun haar kort scheren, kunnen Thorwalers niet begrijpen. Elfen die helemaal geen baardhaar hebben kan men toch niet ernstig nemen.

 

 

 

Sieraden:

Thorwalers dragen graag sieraden: zware armbanden, oorringen en halsbanden uit goud of koper, zelden uit zilver. Allerlei (sier-)spelden, halfrond of in diervorm zijn geliefd.

Bijgelovig als ze zijn, is het dragen van amuletten weid verspreid. Meestal zijn ze uit metaal gegoten, uit een halfedelsteen vervaardigd of uit been of hout gesneden. Typisch zijn zwanen­vleugelvormige amuletten of een oog dat de boze blik (der zeeslangen) afweert. Ook vreemde en buitgemaakte amuletten zijn in trek, alsook trofeeën van dieren.

 

Muziek:

Thorwalers zingen graag, af en toe in begeleiding van een skald met lier of fluit. Veel drink-, vecht- en kaperliederen zijn hen bekend.

Het bekendste versepos der Thorwalers is het Jurgalied, dat eigenlijk een deel van hun geschie­denis vertelt en tientallen (meer dan honderd) strofen telt. Uiteraard slagen meestal enkel de skalden erin om het volledig epos van buiten te leren, maar ieder kent er wel een paar strofen van.

 

Recht en wet:

Het lijkt -vooral voor buitenlanders- vreemd, maar recht is heilig in Thorwal. Rechtelijke handelingen worden meestal feestelijk door een eed begeleid of in tegenwoordigheid van getuigen afgesproken.

Elke hersir, hetman/vrouw en zeker de jarl moet de overleverde gebruiken goed kennen, maar kan zich laten bijstaan door skalden en eventueel Swafnirpriesters.

Problemen binnen een gemeenschap worden door het hoofd beslecht. Problemen tussen gemeenschappen worden voor de jarl gebracht

Belangrijke problemen en grote misdaden worden jaarlijks voor de regionale hjalding gebracht.

Wie een misdaad begaat en die zelf onmiddellijk toegeeft, wordt verschoond tot de volgende hjalding, waar hij zich dan moet onderwerpen aan de rechtspraak.

Uiteraard kan het voorkomen -vooral in het verre noorden waar men meer op zichzelf gesteld is- dat een familie of gemeenschap niet tevreden is met het oordeel of er niet kan op wachten en het recht in eigen handen neemt, wat tot lange bloedvetes kan leiden.

Soms worden geschillen ook middels een tweegevecht beslist.

Het strafrecht der Thorwalers is vrij ongecompliceerd en wordt in de eerste plaats mondeling overleverd. Jarls waken hierover en worden bijgestaan door skalden. De aanklager is diegene die de schade ondervonden heeft (uiteraard enkel als hij opgenomen is in de Thorwaalse gemeenschap, anders moet hij zich laten vertegenwoordigen door een lid van zijn gemeen­schap). De aangeklaagde vertegenwoordigt zichzelf of stelt iemand aan. De meest voorko­mende straffen zijn een thurgold (weergeld) of verbanning. Opsluiting is onbekend, schandpaal of lijfstraffen zeer ongebruikelijk omdat ze eerkrenkend zijn. Een persoon die met de zweep bewerkt werd, zou zeker nadien wraak nemen. Een thurgold is een materiële vergoeding voor de geleden schade die afhangt van de geleden schade (enkele zilverstukken tot volledige schapenkuddes of zelfs ottaskins). Zelfs zware misdaden zoals doodslag kunnen vergoed worden. Probleem is dat het aan de benadeelde is om het thurgold op te eisen zodat deze vaak achter zijn schadevergoeding kan fluiten als hij de zwakkere partij is.

Het tot utlagi (vogelvrije) verklaard worden is zo ongeveer de zwaarste straf die een Thorwaler kan treffen. Dit betekent dat hij voor een bepaalde tijd of zelfs levenslang zijn heimat dient te verlaten en bij voortijdige terugkeer door iedereen doodgeslagen mag worden. Bij een klein vergrijp beperkt deze straf zich in afstand tot het jarldom en in tijd tot 2 à 3 jaar. Vaak nemen deze bestraften hun familie mee. Indien de verbande een hetman is, dan kan deze vragen of zijn ottajasko hem volgt. Ieder kiest vrij of hij volgt of niet.

Vogelvrijheid wordt vooral uitgesproken tegen godslasteraars, moordenaars, verkrachters en brutale, onscrupuleuze vechtersbazen.

De vogelvrijheid beperkt zich overigens tot de persoon zelf en niet tot diegenen die met hem rondtrekken of tot zijn verwanten.

De vogelvrijverklaring wordt enkel noch overtroffen door de skoggang (letterlijk woudgang). Dit is niet alleen een levenslange verbanning, maar de naam van de betroffene mag niet meer genoemd worden en wordt geschrapt uit alle geschriften. De skoggangsmader (m) /skoggangskona (v) (m.a.w. de verstotene) mag door niemand worden opgenomen, verzorgd of geholpen worden en hier dreigen zware straffen bij niet-naleving.

Enkel als een dader zich met zijn daad buiten de menselijke samenleving zet, wordt de doodstraf uitgesproken. Dit is uiterst zeldzaam, bijv. middels duistere magie anderen schade toebrengen, moord op (Swafnir-, Travia-, Ifirn)geweiden, skalden en Swafnirkinderen [3] (indien het niet uit zelfverdediging is).

Een godsoordeel wordt uitgesproken wanneer twee partijen elkaar zwaar beschuldigen en niemand de rechter van zijn gelijk kan overtuigen.

Het oordeel van de rechter moet door de aanklager en beklaagde door een eed worden bezegeld.

 

Tijdrekening:

Vanwege de conflicten met het Horatische rijk heeft men sinds een tiental jaren de reeds jaren in het noorden van Thorwal nog steeds gehanteerde oorspronkelijke tijdsrekening terug overge­nomen.

Deze start met de landing van de vanuit Guldenland vertrokken Jurga op Avonturië, nu 2658 jaar geleden, m.a.w. het jaar 1 JL (na Jurgas landing) komt overeen met het jaar 1627 v. BV (voor Bosparans Val). Het huidige jaar 2658 komt overeen met 1031 BV of 38 Hal. (Aards 2008)

 

Ook de maanden en dagen worden weer met de oorspronkelijke benamingen benoemd:

 

maanden: Garethi         Thorwaals [4]                                      Aards         .

Praios            midzonmaand                                  juli

Rondra         koornmaand                                     augustus

Efferd           heimatmaand                                   september

Travia           slachtmaand                                     oktober

Boron           stormmaand                                     november

Hesinde        vorstmaand                                      december

Firun             grimvorstmaand                               januari

Tsa                goimaand (donkermaand)                februari

Phex             friskenmaand (lentemaand)             maart

Peraine          eimaand                                           april

Ingerimm      faramaand (vaarmaand)                   mei

Rahja            vinmaand [5] (weidemaand)               juni

 

weekdagen: Garethi               Thorwaals   .

Praiosdag          Swafnirdag

Rondradag        Traviadag

Vuurdag                       Jurgasdag

Waterdag          Hjaldisdag

Winddag           Trondesdag

Aardedag          Ifirnsdag

Marktdag          Firunsdag

 

Vermits de lange nachten en winters hun stempel drukken op het leven der Thorwalers en niet de korte dagen en zomers, telt de Thorwaalse bevolking niet volgens dagen en zomers, maar naar de nachten en winters. Men zegt dus bijvoorbeeld: “Irngard is vier winters oud” en “het is 5 nachten geleden dat Faenwulf vertrokken is”.

 

Munteenheid

Het meest gebruikte betaalmiddel in Thorwal is hakzilver, dat met kleine handweegschaaltjes wordt gewogen. Vroeger was het nog de gewoonte om allerlei buitenlandse munten in stukken te hakken. Nu smelt men dit ingezamelde zilver en vervaardigt er open armbanden en ringen uit. Maat en gewicht van deze betalingssieraden zijn gestandaardiseerd in heel Thorwal. Een armband heeft bovendien 7 en een ring 3 breuklijnen, zodat deze gemakkelijk kunnen verdeeld worden in resp. 8 en 4 stukken.

Ook buitenlandse munten worden aanvaard omdat enkel het gewicht van het edelmetaal telt. Geldwisselaars zullen in Thorwal dus niet rijk worden. J

In het hoge noorden is ook ruilhandel nog gebruikelijk.

 

omzettingstabel:

–        1 armband: 4 ons (100 skrupel) zilver en verdeelbaar in 8 stukken van een ½e ons (12,5 skrupel) [6]

–        1 ring: 1 ons (25 skrupel) zilver en verdeelbaar in 4 stukken van een kwart ons (6,25 skrupel) 6

(Ter vergelijk: een Middenrijkse zilverdaalder of een Bornlandse gröschen bestaat uit 5 skrupel zilver. Een volledige armband is dus 20 zilveren daalders waard, een ring is dus 5 zilveren daalders waard.


[1] Nivesisch: taal der Nivezen, een volk van halfnomaden dat de trek der rendieren volgt; Aards te vergelijken met Samen (Lappen) en Inuït (Eskimo’s).

[2] In alle andere gevallen wordt met walvisvaarders snel komaf gemaakt, zij krijgen geen genade, wel een onmiddellijke en snelle dood, bijv. middels een door een bijl gespleten schedel.

[3] Swafnirkinderen: berserkers.

[4] eigenlijk dient men i.p.v. maand eerder het Duitse ‘Mond’ te gebruiken, dat klinkt Thorwaalser.

[5] uitgesproken: winmaand (Winmond)

[6] De Avonturijnse ons is gelijk aan 25 skrupel, m.a.w. 25 Aardse gram. Een skrupel is dus 1 Aardse gram.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s