Belangrijke opmerkingen voor het rollenspel

Het mag duidelijk zijn dat elfen geen mensen of alleen maar mensen met puntoren zijn. Ze zijn veel meer dan een vechter of woudloper die ook wat kan toveren en muziek spelen. Als je toch een elf speelt is het van belang om zijn vreemdheid te benadrukken en hem niet te degraderen tot een liefelijke kunstenaar en onschuldige natuurbeschermer met wat magie. In de elegantie van de elfen en hun intuïtieve verstandhouding met de natuur komt het dierlijke van hun karakter naar voor, dat enkel op het eerste zicht door mensen als argeloos kan beschouwd worden. Alhoewel, misschien zijn ze dat toch, want welke roofkat laadt schuld op zich wanneer ze haar maaltijd verscheurt?

Dit heldentype is dan eigenlijk ook maar pas geschikt als je een beetje thuis bent in de wereld van Avonturië, want wie elfen in het rollenspel hanteert als speler of als spelleider, bewandelt een smalle marge tussen mysterie, spel en voorstelbaarheid.

 

Een verhaaltje J

“En toch is het gruwelijk” hield Rondrian staande. “Gruwelijk? Omdat ik een geitenlammetje opoffer om ons te redden? Jullie schieten de grootste en sterkste herten zonder zin of doel, enkel omdat ze een trofee zijn en verzwakken daardoor de volledige soort. Jullie potentaten bevelen moord en brand en jullie houden jullie zelfs niet in voor jullie eigen nakomelingen. Je bent een mens, beleer me dus niet over wat gruwelijk is en wat niet.”

Hierop wist de jonge mensenman niets in te brengen. Het geitenlammetje dat daarnet nog stil en verstijfd van angst tegen de grond had gelegen, schreeuwde het erbarmelijk uit wanneer Ranari het met twee sneden de pezen van de achterpoten doorsneed.

“En wanneer je dan toch over gruwelijk spreekt: Hoe zou je dan het bloedbad noemen dat dit beest heeft aangericht? Is dat niet nog veel gruwelijker geweest? Drie van mijn broeders en zusters heeft hij verscheurd. Wanneer, als ik het nu niet zou doen, zou ik dan wel zijn handelswijze tot staan moeten brengen? Hij is sluw en ervaren, want hij kan terugblikken op een lang leven. Nu is hij oud en kan enkel nog langzaam wild grijpen. Dat maakt hem kwaad. Hongerig als hij is -want voor de jacht op gezonde dieren is hij niet meer snel genoeg- zal hij dit lokaas niet kunnen weerstaan. Het geschreeuw en de geur van bloed zal hem lokken.”

De elfin liet het jong los, dat onmiddellijk mekkerend probeerde op te staan om zich in veiligheid te brengen, doch diens achterpoten waren thans alleen maar nutteloze aanhangsels. Vanuit een beschutte dekking zag Ranari onaangeroerd toe hoe het dier werd gekweld. Rondrian de stoere krijger, wendde het hoofd af.

Slechts enkele ogenblikken later toonde de vijand, die de elfin had gehoopt te doden, zich. Een oude sabeltandtijger, wiens muil reeds helemaal wit was strekte de stevige, met littekens bezaaide schedel uit het struikgewas en aanschouwde het jong met een hebberige blik. Speeksel droop uit zijn kaken en het geweldige knokige lichaam kromde zich nog voor een sprong, vooraleer een oogwenk later Ranari’s pijl door het oog diep tot in de hersens drong.

 

Dit verhaaltje om maar aan te tonen dat elfen helemaal niet ‘softie’ zijn, zoals wel wordt beweerd, in tegendeel. Weet je trouwens waarom de elfin in het verhaal het jong niet gewoon vastmaakt aan een paaltje of zo, als lokaas, i.p.v. het de achterpezen over te snijden…? [1]

 

Elfen als speler

Het leven in de thuissibbe vervult voor de elf al zijn noden. Een reden om zijn thuissibbe te verlaten en de weide wereld in te trekken is voor een speler dan ook belangrijk genoeg om bij stil te staan. Hier vinden jullie wat tips, die verder reiken dan “de sibbe van mijn elf is door orks uitgemoord”, “mijn elf is eenvoudigweg nieuwsgierig naar de buitenwereld” of “mijn elfin heeft het gevoel dat ergens in de wereld iets op haar wacht” J:

–        Als de stam door iets bedreigd is, orks, goudzoekers, demonendienaars, … kan de sibbe iemand uitsturen om hierover informatie, verbondenen in de strijd te zoeken, enz. De elf kan dan eventueel bij zijn terugkeer als te badoc voor de sibbe worden beschouwd of vindt zijn ‘badocstatus’ zelf te bedreigend voor de stam zodat hij verder rondtrekt in de mensenwereld of hiertoe verplicht is.

–        Elfen met ervaring in de wildernis kunnen menselijke helden te hulp komen bij typische natuurgevaren. De elf kan dan uit nieuwsgierigheid met de groep meereizen of omdat hun queeste hem bevalt.

–        Omgekeerd zou een groep een elf uit de nood kunnen helpen, vooral wanneer het om typisch menselijke zaken en begrippen gaat, waardoor de elf dan besluit iets voor de helden te doen.

–        Legendenzangers of toverwevers kunnen op zoek zijn voor henzelf of voor iemand anders in de stam naar verloren toverliederen of oud-elfse artefacten, bekend uit vertellingen.

–        De zoektocht naar zijn lot kan een elf voor lange tijd de wereld insturen. Rond deze zoektocht kunnen speler en spelleider een ervaringsrijke tocht concipiëren, uiteindelijk eventueel bekroond met een mystieke heldendood waarin of nadat het lot van de elf vervuld is.

–        Vreemde dromen kunnen de elf weg van zijn sibbe tot bij de andere helden leiden. Dit kunnen onduidelijke beelden zijn die de elf pas zal begrijpen na vele avonturen, maar eveneens min of meer duidelijke visioenen die een concreter antwoord kunnen geven bij een actuele queeste van de helden.

–        Een vermenselijkte elf kan vanwege een verlangen naar zijn elfse roots naar de Salamanderstenen reizen en -ironisch genoeg- mislukken vanwege het ontbreken van de nodige (wildernis)ervaring. Op deze wijze komt hij misschien in allerlei avonturen terecht.

–        Stadselfen kunnen overigens vanwege dezelfde redenen als mensen op avontuur gaan. Hun badoc-zijn kan hen evengoed doen zoeken naar roem, goud of gewoonweg een manier om in het dagelijkse levensonderhoud te voorzien.

–        Een elf die te lang in diergestalte heeft doorgebracht kan nadat hij dagen- of zelfs wekenlang heeft rondgezworven in de gestalte van zijn zielsdier terug tot zichzelf komen, volledig naakt en zonder materiaal. Beroofd van een deel van zijn geheugen kan de reis door de mensenwereld niet alleen nieuwe ervaringen opbrengen, maar ook een zoektocht zijn naar zichzelf en zijn eigen verleden.

–        Om zijn zielsdier of de essentie ervan te ontdekken, kan een elf gedreven worden tot een ontdekkingsreis naar zichzelf, die hem op vele plaatsen kan brengen.

–        De in een elfse nederzetting wonende elfen kunnen op zoek zijn naar restanten van de elfse hoogcultuur.

–        Ook in een elfse sibbe komen wel eens meningsverschillen voor, die ervoor kunnen zorgen dat een elf zijn heem verlaat. Wegens een -in de ogen van de sibbe- schadelijke eigenschap of daad (liefde voor een mens, onstilbare nieuwsgierigheid, een stigma, heethoofdigheid, godenverering, moord,…) kan hij zelf verbannen worden.

–        In een heldengroep komen vaak wel meer exoten voor die zich min of meer eenzaam voelen in een wereld die zij niet of moeilijk kunnen bevatten. De elf kan zich met hen verbonden voelen en zo proberen wat van de leegte op te vullen, die hij ondervindt vanwege het verlaten van zijn sibbe.

 

Vermits een elf een heel ander tijdsgevoel heeft kan een queeste overigens vele jaren duren, terwijl ondertussen allerlei ervaringen in de mensenwereld worden opgedaan.

 

Elfse uitspraken

Algemeen:

–        “De aard van de mensen is het streven, de aard van de elfen is het zijn.”

–        “Groet de kruinlopers zoals het fluisteren in het loof en ze heten je welkom.”

–        “Waarom zou ik goden aanbidden? De mier die een achtergelaten kruimeltje vindt, ligt toch ook niet in aanbidding voor diegene die het heeft laten vallen.”

 

Vlakte-elfen:

–        “Elk dier zoekt zijn jager zelf uit. En blijkbaar heeft dit hert jou nog niet gevonden.”

–        “De wolven hebben op jullie gejaagd? Dan zullen ze wel een goede reden gehad hebben.”

–        “Het is zo waardevol en men kan daarmee alles doen, zeg je? Goed, dan eet jij het goud. Ik neem genoegen met de haas.”

–        “Luister naar het gezang van de wind, het fluisteren van de bladeren en het klateren van de beek. Ze geven je antwoord, als je bereid bent hen te aanhoren.”

–        “Mijn naam is Ranari Aytann’lyriamalwaär, noem me maar Ranari”

–        De voorsprekers der mensen zijn vaak grof en onvriendelijk. Zo zijn ze niet alleen tegenover ons, maar ook t.o.v. hun eigen lieden. Het is een raadsel waarom ze als voorsprekers werden gekozen. (over de heersers der mensen)

–        “Laat hem lopen, die komt niet meer terug” (na elk gevecht)

–        Laat die rommel liggen. Je maakt je alleen maar ongelukkig,… nog ongelukkiger. (over waarde­volle zaken)

–        Hoe kan je dat verdragen? Deze wezens hebben je minder te zeggen dan een rotsblok. Ben je een worm? (over heersers en godenbeelden)

–        “Wie een dier steeds alleen maar achterna gaat om het van zijn leven te beroven, zal het leven nooit hebben leren kennen, zal niet kunnen appreciëren hoe het dier onze nurdra met zijn eigen offer versterkt, en zal niet in staat zijn het evenwicht te behouden tussen nurdra en zerza. Alvorens je een bewoner van de ouwen van het leven berooft, moet je eerst zelf een bewoner van de ouwen worden.”

 

Woudelfen:

–        “Een wezen waarvoor de dieren vluchten is niet te vertrouwen.”

–        “Fey’am, heb geen angst. Er zijn onmensen, maar geen ondieren.” (tot een bevriende mens die angst heeft in het woud.)

–        “Natuurlijk heb je de macht om deze kever te vertrappelen. Maar ook tien van jullie soort hebben niet de macht om zulk een levend wezen te creëren.”

–        “De wereld is al datgene wat werkelijk is. De droom is al datgene wat waar is” (woudelfse wijsheid)

–        “Zwarte landen, zwarte draken, vuurregens en spooksteden, gevallen tempels en hulpeloze goden. Zie hoe de mensen hun eigen wereld vernietigen. Ze zullen dieper vallen dan de hoge elfen het ooit deden. “Kom met mij mee. De weg van ons volk leidt terug naar het licht.” [Mandarion Schaduw­dromer tegen andere elfen]

–        “Ik weet het!” (al lachend, na elke verklaring)

–        “Laat hem toch gerust.” (bij problemen met personen en levende dingen)

–        “Als dat werkelijk belangrijk voor je is…” (op wensen van anderen)

–        “Hoe kan je daarbinnen gaan? Daarbinnen leeft niets, enkel koude steen en duistere gedachten!” (i.v.m. steden of grotten)

–        “Laten we luisteren naar de eeuwige melodie, die inherent is aan alles. Wat zingt de zon, wat spreekt de krekel? Wat zegt de boom?”

–        “De mensen zijn andersgeborenen en het is niet aan ons om de mogelijkheden die hen door het leven geven zijn, te beoordelen. We delen dezelfde wereld en we moeten leren met elkaar in deze wereld te leven.” [Maanglans Eikenveld, leidster van de School van de Directe Weg  te Gerasim]

–        “Waarom wil je die Mandragora uitgraven? Laat hem leven en onthoud de plek waar hij groeit! Als je binnen vijf of tien zomers weer naar hier komt, zal je weten waar je moet zoeken, als je hem nodig hebt.”

–        “Je bent vriendelijk, rozenoor, maar ik zal niet in je sala overnachten. Het stinkt er en de vlooien zijn talrijk.”

 

Firnelfen:

–        “Hoezo, je vraagt waarom ik jullie ter hulp ben gekomen? Is ‘t niet voldoende dat ik er ben? [Teliriyon Kristalpijl die vroeger Teliriyon Jachtdans heette, een firnelf die door de aanhangers van Glorania zijn sibbe verloren heeft en nu verbeten tegen zowel haar duistere IJsrijk als tegen de nachtelfen strijdt.]

–        “Daarvoor bestaan er immers vrienden…”

–        “Bij alle gletsjers, is dat werkelijk zo belangrijk?”

–        “Goden, mijn vriend? Waar zijn de goden en waar ben jij?”

–         “Zolang we tezamen blijven, kan ons niets gebeuren. En tenzij ik me vergis, zal het dan op zijn minst met ons allemaal gebeuren.”

–         “Elk ding heeft zijn melodie. Voel hoe het beweegt en je weet welke vorm het wil hebben.” (bij het vormen van ijs middels magie)

–         “De beste voering voor laarzen maakt men uit de pels van pasgeboren robben. Voor de laarzen zelf kan je de huid van de robbenmoeder gebruiken. Als het waterdicht moet zijn, dan naai je er de ingewanden van een meerval over.

–         “Angst maakt waakzaam. De waakzame overleeft.” (over het dragen van hun zwarte amuletten)

 

Steppenelfen

–        Waarom zou Wolkenvel niet van dit gras eten, telor? Kijk maar, hoe mals het is en hoe groot de zaden. Dat is goed voer. Wat zeg je? Een man genaamd “boer” heeft het geplant? Je grapt, mijn vriend. Men plant toch geen gras”

–        “Ontspan je boog. Hier jagen we niet. Kijk toch, hoe schuw de dieren zijn, hoe angstig ze op de uitkijk staan. Op deze plaats zijn er reeds veel jagers actief. We trekken verder.”

–        “Waarin ik geloof, telor? Ik zal het je zeggen: aan mezelf en de mijnen. Wat zijn mij de goden, waaraan jij je vrijheid opoffert? Mijn voorouders riepen Nurti aan, het worden en gedeien en Zerzal, het vergaan en vernietigen, in de ijdele hoop dat het werkelijk wezens waren die hen genade konden geven. Doch zij zijn slechts de loop van deze wereld, komen en gaan en de hoop van de ouden is nu stof en wind. Ik zal leven, met de twaalf vrije winden rijden en ooit zal ik in het licht treden, waar vrede zal zijn. Doch mijn licht zal ook treuren, want ik zal dan diegenen achter moeten laten die ik beschermen moet. Moge alzo die dag veraf zijn. Wij hebben over de “Opener der Poorten” gedroomd, telor. We hebben Athavars zielenlied vernomen, dat onbeëindigd bleef. Vele zeggen dat de gebonden wind, die wij moeten vrezen als het Rattenkind zelf, weer waait en over de dood fluistert. Moet ik mij daarom in het stof werpen? Wij moesten steeds rijden en vechten, … en overleefden. Eorla!”

 

Badoc-elfen, elfen die onder de mensen leven en halfelfen:

–        “Wel collega, euh… magister, dat kan ik u verklaren indien ik de analogie van het triptochaische astraalcontinuale aanwend op… maar nu ja…, u zal het bijtijds zeker wel zelf uitvinden. Laat me nu  van de zonsondergang genieten… Dat is zo lang geleden.” [Salandrion Farnion Vinkenvaren, een in Almada, in de nabijheid van de mensen opgegroeide, intussen tragisch-badoc zijnde elf, magister aan de Academie der Hoge Magie te Punin]

–        “Wees hoffelijk t.o.v. diegenen met goud en zilver op het hoofd, maar buig nooit je knie, want anders laten ze je nooit meer gaan. (over menselijke heersers)

–        “Je magie herinnert me aan een andere tovenaar van je volk die ik meer dan een half millennium geleden heb ontmoet.” [eeuwenoude Firnelfse toverweefster]

–        “Bij de elfen ben ik een mens en bij de mensen ben ik een elf en voor mijzelf ben ik de enige die telt en het waard is dat men er zich om bekommert.” [Elirail Dauwdans, halfelf]

–        “De elf in mij? Ik draag geen elf in mij. Ik heb door mijn moeder mijn magie verkregen en kan dingen die geen andere mens volbrengt. Maar een elf draag ik niet in mij. Meent u dat het komt vanwege mijn spitse oren? U dwaalt, uwe genade. Als elf moet men geboren zijn. Mens kan men worden. En daarom ben ik een mens.” [Gerobert, halfelf, sjarlataanse kermistovenaar]

 

Larpvereisten voor de speler van een elf

Geen overgewicht, lichaamslengte van minstens 1,80 m, lang haar (eventueel door pruik) en grote spitse oren. Dat zijn de ideale voorwaarden. Ook wanneer men kleiner is kan men evenwel ook een elf voor­stellen. De rest moet dan echter des te passender zijn.


[1] Omdat de sabeltandtijger dan vermoedelijk iets zou ruiken en argwaan zou gekregen hebben…

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s