Algemene kenmerken der elfen

Lichamelijke bijzonderheden

Een opvallend slanke bouw, groot en schoon, zo stelt de gemiddelde avonturier zich een elf voor. En dit beeld klopt nog ook: spreekwoordelijk is de elegantie van hun bewegingen. Ze hebben een pezige gestalte, met amper vetweefsel. Dit resulteert in een t.o.v. mensen gemiddeld gezien lagere lichaamskracht, maar wel indrukwekkende conditie. Deze fijne bouw is niet alleen merkbaar in hun postuur, maar is ook zichtbaar in de lange vingers en fijne voeten.

Opvallend zijn echter vooral de grote spits toelopende oorschelpen, die hen bij de mensen de bijnaam spits- of puntoren heeft bijgebracht. Hun hoofdhaar dragen ze meestal lang en los. In hun gezicht, maar ook op hun lichaam hebben ze geen enkel spoor van aangezichtsbeharing, met uitzondering dan van schaamhaar. Bovendien hebben zij uitstekende jukbeenderen en schraag ingeplante, zeer grote ogen (die hen een weinig het uitzicht geven van een kat) en voor mensen zeer ongewone oogkleuren kunnen hebben, zoals bijv. geelgroen, kristallijn, barnsteen, amethystviolet, saffierblauw, goudgespikkeld, ijs- en zilvergrijs, robijnrood, e.d.). Ook de lange hals is opvallend. Al deze eigenschappen versterken de exotische indruk. Elfen hebben daarenboven een doordringende blik, die ze zelf toeschrijven aan hun afkomst ‘uit het licht’. Deze exalterende blik zou verdwijnen naarmate een elf meer badoc wordt (over afkomst en badoc, zie verder).

Het feit dat de beide geslachten wat androgyne trekken hebben (elfenvrouwen hebben in verhouding tot mensen smalle heupen en kleine borsten, elfenmannen hebben eerder smalle schouders en geen baard­groei, beide geslachten hebben een welluidende stem) zorgt ervoor dat andere rassen soms niet het verschil kunnen zien tussen mannelijke en vrouwelijke elfen.

 

Alle elfen hebben ongewoon scherpe zintuigen, ook als ze rusten of slapen. Bovendien kunnen ze hun slaap uitstellen. Ze moeten die dan later wel inhalen. Elfenogen zien ook nog zeer goed in de schemering. Hun scherpe reukzin is hen onder mensen nochtans niet steeds van voordeel. Om in een muffe slaap­plaats tussen mensen te slapen, zich onder geparfumeerde Horathische balgangers te begeven of naast zijn gezel te zitten die koolsoep met look eet, moet een elf stevig op zijn tanden bijten.

Deze bijzondere reukzin is er ook verantwoordelijk voor dat ze geen voeding of dranken tot zich nemen  die d.m.v. gisting (of rottingsprocessen) tot stand zijn gekomen, zoals brood, kaas en alcoholische dranken. Bovendien kunnen ook kleine hoeveelheden alcohol bij hun zeer verschillende uitwerkingen hebben, van een sterk misselijkheidsgevoel tot berserkerwoede. Ook melk wijzen ze af, vermits dit enkel voor jonge dieren (of mensen) bestemd is.

 

Elfen kunnen tevens tweestemmig zingen en spreken. Hun stem klinkt dan als twee personen die tege­lijkertijd hetzelfde zouden zeggen. Deze gave benutten ze echter bijna steeds enkel in een vertrouwde omgeving. Om onberispelijk Isdira (elfs) of Asdharia (oud-elfs) te spreken en hun magische liederen te zingen is deze vaardigheid echter absoluut noodzakelijk.

 

Vele elfen hebben geen navel omdat deze verwonding, net zoals andere wonden, meestal middels magie wordt genezen. De magische heling is dan ook de reden dat elfen geen littekens hebben op hun smette­loos gave lichaam.

 

Levensontwikkeling

Er zijn ongeveer evenveel mannen als vrouwen onder de elfen. Er worden slechts zelden kinderen geboren omdat ze enerzijds hun vruchtbaarheid onder controle hebben en kunnen beïnvloeden en anderzijds kinderen bijna steeds voorkomen uit een koppel dat een vriendschapslied heeft bezongen. Daarbuiten bedrijven ze evenwel meestal vrij en ongebonden hun liefde. Bovendien is hun geslachtelijke voorkeur afhankelijk van hun stemming.

Elfen zijn pas geslachtsrijp rond hun 20e, maar gezien hun lange leven is dat uiteraard geen probleem.

Elfen kunnen zeer oud worden. Soms bereiken ze zelfs een leeftijd van duizend jaar en meer, alhoewel dat uitzonderingen zijn. Gewoonlijk worden ze enkele honderden jaren, waarbij hun leeftijd moeilijk in te schatten is omdat ze hun jeugdige uiterlijk en hun fysieke mogelijkheden behouden. Zelf weten ze vaak amper hoeveel zomers ze zijn. Dat interesseert hen niet. Overigens boeit algemene tijdsbepaling hen overigens amper, ondanks dat ze o.a. wel de gang der seizoenen en uiteraard het verloop der dagen kennen.

De natuurlijke levensverwachting van de meeste oorspronkelijk levende elfen hangt af van een bepaald levensdoel, een voorbestemd lot. Als dit doel bereikt is, wat zowel na een lange als na een korte tijd kan zijn, sterven ze op zeer korte tijd. Elfen die hun oorspronkelijkheid verliezen (badoc worden) blijken echter veel korter te leven.

Voor elfen is leven en dood de normaalste zaak van de wereld en beiden zijn nauw met elkaar verbonden vermits de levensduur van een elf aan de inhoud ervan (het lot) verbonden is. Hoe en wanneer dit lot zich openbaart is voor elke elf verschillend. Een elfenmeisje van een dozijn zomers kan best al weten dat het haar lotsbestemming is om de beste boogschutster van de sibbe te worden, terwijl de kruinloper van enkele honderden jaren juist daarom de wouden opzoekt omdat hij nog steeds naar de zin van zijn leven zoekt.

Soms worden er elfen geboren die geloven de incarnatie van een voorvader te zijn. Zij nemen dan diens lotsbestemming op en pogen ze te vervullen.

Wanneer een elf voelt dat hij zijn levensdoel heeft vervuld, neemt hij bevredigd afscheid van de wereld en sterft binnen enkele dagen, maximum weken. Omdat werkelijk datgene vervuld is dat in het diepste van de elf voor hem belangrijk was is er ook geen angst voor deze dood, in tegendeel. Zo zal de enkele honderden jaren oude elfin die de beste boogschutster van de sibbe is geworden met een goed gevoel sterven als ze weet, maar vooral voelt, dat de jonge -slechts enkele tientallen zomers tellende- elf haar vroeg of laat zal overklassen. Twee verliefden die in een vriendschapslied een eeuwige zielsband met elkaar gesloten hebben, zullen elkaar hoogstwaarschijnlijk niet met meer dan een uur overleven. De belangrijkste ‘hiernamaalsvoorstelling’ die de elfen hebben, bepaalt dat het ‘licht’, m.a.w. de ziel van de elf terug in de lichtwereld keert. Of hij in de lichtwereld opgaat waar hij ooit is uitgekomen om zo de cirkel te sluiten of dat hij opnieuw geboren wordt in een nieuw lichaam met slechts vage herinneringen aan het voorgaande leven of terug ontwaakt in zijn zielsdier, het is allemaal mogelijk. Ten aanzien van zulke gelukzaligheid treuren de nabestaanden dan ook amper om hun gestorvenen.

 

Leren

Elfenkinderen leren door waar te nemen en na te bootsen. Ze worden opgeleid door de gehele sibbegemeenschap en dus zeker niet alleen door hun ouders opgevoed en opgeleid. Hierna worden ze begeleid door diegenen die bij hen de vaardigheden kunnen ontwikkelen waarvoor ze het meest geschikt blijken te zijn. Een duurzame en langdurige taakverdeling is niettemin in de meeste stammen ongebruikelijk.

Terwijl niet-elfen hun omgeving actief onderzoeken, leren elfen vooral d.m.v. observatie en passieve ervaring. Dit duurt weliswaar langer, maar gezien hun lange levensduur is dat uiteraard geen probleem. Bovendien kunnen de ervaringen onderling doorgegeven worden in de salasandra.

In de ogen van mensen komen elfen vaak belerend en arrogant over. Dit hangt samen met de manier waarop ze hun kennis doorgeven. Elfen delen de kennis die ze voor belangrijk genoeg achten om voor het nageslacht of anderen te bewaren, ongevraagd mee. Dat lijkt hen zeer verantwoordelijk. M.a.w. aan de blijkbaar zo onervaren en onkundige mensen moet toch worden duidelijk gemaakt hoe men met kleine toverijtjes het alledaagse leven vergemakkelijkt (oeps, even vergeten dat mensen bijna geen magie kunnen J) of hoe men een pijl ondanks zijwind feilloos in het doel schiet (ach ja, die menselijke bogen zijn eigenlijk maar primitief, niet).

Daarbij komt dat men vreest dat de mensen -op dit ogenblik het heersende ras zijnde- een zelfde lot zouden kunnen ondergaan als destijds de hoogelfen [1]. Uiteraard deelt niet elke elf deze zorg en verant­woordelijkheid. Er zijn er eveneens die de mensen hun eigen verantwoordelijkheid laten zoeken of hen eenvoudigweg links laten liggen.

 

Zielsdier

Belangrijk in het leven van de elfen is ook de verhouding tot hun zielsdier. Met dit dier deelt de elf de meest kenmerkende trekken en het bepaalt ook grotendeels diens karakter. Vaak wordt ook de rol van de elf binnen de sibbe door dit dier beïnvloed. Hoe de persoonlijkheid van de elf wordt bepaald door het dier is bij elke elf verschillend. Terwijl zowel houding, behendigheid, blik, beweging, enz. kan verraden dat een elf een roofkat als zielsdier heeft verinnerlijkt, maakt het zielsdier zich bij een ander alleen kenbaar vanwege het feit dat hij handig is en zo goed kan duiken als een otter.

Hun leven lang zoeken de elfen contact met hun zielsdier door het te observeren ermee (magisch) te communiceren of er zich middels hun magie in te veranderen. De meest voorkomende zielsdieren zijn wilde kat, wolf, lynx, woudleeuw, valk, uil, adelaar en dergelijke roofdieren, maar ook eekhoorntje, otter, rob, ree, steenbok, ijsvogeltje, raaf, zwaan en zwaluw komen voor.

Slechts zelden komt het voor dat er binnen een sibbe zielsdieren aanwezig zijn die conflictueus zijn t.o.v. elkaar. Indien toch voorkomend dan zullen de desbetreffende elfen vaak hun sibbe verlaten om de harmonie niet te storen.

 

Wereldbeeld

Het elfenvolk is veel ouder dan het mensengeslacht. Ze beschouwen zichzelf als een deel van al het leven en gelijktijdig al het levende als een deel van zichzelf. Ze leggen bijv. niet meer wild neer dan ze nodig hebben voor hun sibbe, dit zowel uit pragmatisme als vanwege de achting voor het leven die ze allen met elkaar gemeen hebben. Een indeling in goddelijke of wereldlijke autoriteiten is voor elfen zonder enige waarde. Ze verafschuwen zinloze gruwelijkheden, ook t.o.v. hun ergste vijanden.

De drang die mensen hebben naar rijkdom en macht is voor hen volledig merkwaardig en onbegrijpelijk en vervult hen bovendien met weerzin. Een mooie boog, een fijne uit hout gesneden fluit, hebben volgens hun zicht een waarde en niet een berg glinsterend metaal, waarmee men niets kan aanvangen, buiten ervoor vrezen dat het gestolen wordt.

Dit verhullen de meeste elfen niet, zodat dit hen (en hun kompanen) wel eens in problemen kan brengen.

 

Elfen kennen geen staatsvorm en hebben geen heersers; omdat elke vorm van hiërarchie voor hen vreemd is. Er zijn wel elfen met een natuurlijke autoriteit in een welbepaald gebied (of een bepaalde kunde) die als voorsprekers dienaangaande gekozen worden. Uiteraard heerst er bij hen een gelijkbe­rechtiging tussen de geslachten.

 

Vermits elfen in vrede onder elkaar leven hebben ze geen behoefte aan wetten en rechtshandelingen. Vergrijpen, laat staan misdaden, onder hen zijn zo goed als onbestaande en bijgevolg is rechtspraak vrijwel onnodig. Veeleerder hebben ze een natuurlijk rechtvaardigheidsgevoel, waarbij elk sibbelid zoveel om de mening van zijn mede-elf geeft dat hij zich naar diens oordeel buigt. Is rechtspleging toch eens noodzakelijk, zo komt de gehele sibbe tezamen en treft een oordeel. De veroordeelde neemt het oordeel bijna steeds zonder probleem aan.

 

Als straf kennen de elfen slechts de uitsluiting uit hun gemeenschap, waarbij de veroordeelde weliswaar verder met zijn sibbegenoten kan leven, maar door hen volledig genegeerd wordt. Deze straf is aan een termijn gebonden. Meestal is één dag voldoende om aan de delinquent duidelijk te maken dat hij beter niet verstoot tegen het gemeenschapsgevoel van de sibbe. In de ergste gevallen kan de straf ook voor levenslang uitgesproken worden. Men mompelt zelfs dat de elfen dan een toverlied instemmen dat ervoor zorgt dat ze de uitgestotene niet meer kunnen waarnemen. Deze verbanning is voor elfen een buitengewoon zware straf. Ze betekent immers de volledige breuk met de stam, zijn heem en de sibbemagie, waardoor de elf als eenzaat door het leven moet. Deze straf wordt dan ook niet lichtvaardig uitge­sproken. Doch vermits elfen vaak nieuwsgierig zijn, is het niet alleen de verbanning die hen naar de mensenwereld en dus in een avontuurlijk leven kan leiden.

 

Elfen kennen eigenlijk geen eigendom of eigendomsrecht. Ze onderscheiden tussen twee vormen van bezit, nl. het intieme en het praktische bezit.

–        Het intieme bezit behelst alle zaken die de elf kentekenen en waaraan hij niet kan verzaken. Dit omvat o.a. zijn eigen naam, zijn zielsinstrument (het persoonlijk muziekinstrument), geschenken van een zielsverwant en enkele profane voorwerpen zoals bijv. een eigen wapen.

–        Het praktische bezit houdt alle andere zaken in, die bijgevolg vervangbaar en deelbaar zijn. Hiertoe behoort kledij, voedsel en de andere dan de hierboven genoemde zaken. Als een elf dus ziet dat een andere iets dringender nodig heeft dan hij zal hij het zonder enige tegenprestatie delen of geven.

Uiteraard kan het van de situatie afhankelijk zijn of iets behoort tot het intieme of het praktische bezit. Zo zal in een noodsituatie kledij en voedsel onmisbaar zijn, wat vooral bij firnelfen kan voorkomen.

Dit alles betekent natuurlijk niet dat elfen notoire dieven zijn, in tegendeel. Ze nemen uiteraard niet het eten of de kledij, e.d. af van iemand anders die dit zelf nodig heeft. Maar wanneer op een markt­kraampje veel meer appels liggen dan de verkoper kan eten, dan moet men dat toch niet vragen als men er een nemen wil, toch? Dit elfs standpunt heeft tot het vooroordeel bijgedragen dat alle elfen dieven zijn en brengt hen af en toe in (al dan niet ernstige) problemen.

 

Geloof en filosofie

De elfen erkennen de menselijke goden niet. Ze vereren of beter kennen machtige levensprincipes: “nurdra” staat in hun wereldbeeld voor levenskracht en groei en “mandra” voor (elfse) magie, de ziels­kracht. “nurti” (leven) staat voor het principe van worden en groeien, terwijl het vernietigende “zerzal” (vernietiging, dood) het principe van het vergaan en de dood incarneert. Het “licht” is dan weer de oorspronkelijke zijnstoestand van de elfen, van waaruit hun voorouders zichzelf gedroomd hebben! Elfen geloven dat ze naar het ‘licht’, ook ‘lichtwereld’ genoemd, terugkeren indien ze de dood sterven die het lot voor hen bepaald heeft. Dit ‘licht’ is dan ook het enige belangrijke elfse kosmologisch aspect dat buiten hun eigen leefwereld valt en beschouwen zij bovendien als hun ziel. Een ander aspect van de ziel, zoals bij mensen bekend, kennen zij niet.

Het ‘vereren’, zoals beschreven in de bovenstaande paragraaf, kan men niet beschouwen als ‘aanbidden’, zoals dit bij andere volkeren het geval is. Deze grondbeginselen zijn niet als machtige goden, maar eerder als natuurkrachten of oerprincipes te beschouwen. Het is niet zo dat elfen niet in het bestaan of de macht van goden geloven. Ook ogenschijnlijk goddelijke wonderen trekken ze niet in twijfel. Deze wezens aanbidden gaat hen evenwel te ver, in tegendeel een bovenmachtig schepsel dat het nodig vindt om zijn kolossale krachten te tonen kan men beter met voorzichtigheid benaderen en nog beter mijden en met rust laten. Want de elfen hebben in hun verleden aan de lijve ondervonden hoe gruwelijk de toorn van goden tegen hun aanbidders kan zijn. Bijgevolg zal men een elf dan ook geen offergaven of gebeden zien brengen om de ‘goden’ genadig te stemmen. Daarbij komt dat het aanroepen en bezweren van buitenwereldlijke creaturen (of het nu demonen, geesten of elementalen zijn) door elfen als een zwaar vergrijp tegen de natuurlijke orde wordt aanzien, waartegen zij indien nodig vehement zullen reageren. Enige uitzondering hierop zijn de paarden die sommige elfen (vooral de steppenelfen) kunnen oproepen vanuit de ‘Eilanden in de nevel’ [2].

Ook hier zijn er evenwel uitzonderingen. Bij de elfen van de zuidelijke Middellanden (Almada), directe afstammelingen van de vluchtelingen uit de hoogelfse steden, zij er enkele sibbes die Nanurda als “Vreugdebrengster” en “Opofferingsbereide” aanbidden, alsook de leeuwinnen- of lynxenkoppige Zerzal om bijstand bidden bij strijd of afweer van het kwade. Bovendien zijn er ook elfen die best wel begrip en medeleven kunnen opbrengen voor het levensdoel van een gewijde.

 

Veel elfen in wildrijke gebieden onderhouden een soort van jachteer die een vorm van ‘eerlijke wedstrijd’ tussen jager en buit behelst en gebaseerd is op de kringloop van ‘nurdra’ en ‘zerza’. Dat betekent dat ze bijv. vinden dat een buit die hen 2 x ontlopen is, hun respect verdient heeft en dus niet meer achtervolgd wordt. De firnelfen uit het hoge noorden kunnen zich zulke sentimentele condities daarentegen hoegenaamd niet veroorloven. De buit moet bij hen kost wat kost gedood worden, met welke middelen dan ook, want het overleven van de sibbe hangt af van het jachtgeluk.

 

Voor elfen hebben dromen een belangrijke betekenis. Sommigen onder hen zien dromen zelfs eerder als waar aan dan het “echte leven” in waaktoestand. Tijdens het dromen komen zij immers dichter bij het licht, hun oorspronkelijke oer-zijn, terwijl in wakkere staat de werkelijkheid hen van hun oorsprong, nl. de droom, wegtrekt.

 

Salasandra

De basis van het elfse gemeenschapsleven is de salasandra, letterlijk vertaald “heem der zielen”. Dit is een magisch en muzikaal gemeenschapsritueel waaraan indien mogelijk iedereen van de sibbe deel­neemt, ook kinderen en zelfs zuigelingen! In dit ritueel wordt de verbondenheid benadrukt die de leef­gemeenschap onder elkaar heeft. Het is dus meer dan een individuele opsomming van toverkracht, ervaring, persoonlijkheid, … Veelmeer is het een versmelten van gevoelens, gedachten en existentie. Op deze wijze treft de sibbe beslissingen, leert men van elkaar en wordt er gezamenlijk getoverd.

Om aan de salasandra te kunnen deelnemen, moet een elf zowel geestelijk als lichamelijk aanwezig zijn. De afwezigheid van een elf, veraf van de vertrouwde sibbe, wordt door de anderen aangevoeld. Een elf wiens innerlijke melodie zich ver van de sibbe verwijderd heeft, bijv. door badoc te worden, verzwaart deze zielsverbinding, zodat alle deelnemers deze disharmonie aanvoelen. Of de sibbe de elf ooit nog terug kan leiden of dat deze de sibbe definitief dient te verlaten hangt dan af van de mate waarin de elf zich van zijn sibbe is gaan onderscheiden en hoe groot deze disharmonie op de sibbe weegt.

Het belang van de salasandra wordt bevestigd door het feit dat indien meerdere sibbeleden de gemeen­schap verlaten, dit de oorspronkelijke sibbe ernstig kan verzwakken.

Er bestaat ook een ‘kleine salasandra’ waarin twee personen zich op elkaars melodie kunnen afstemmen en zo een innige verbinding met elkaar uitdiepen. Dit kan gebeuren tussen verliefden, maar evenzeer tussen leraar en leerling of lang gescheiden vrienden die elkaar weer ontmoeten.

 

Geboorte en dood

Bij het geboortefeest van een pasgeboren elfenkind wordt dit feestelijk in de salasandra van de sibben­gemeenschap opgenomen, waarbij het sibbenlied wordt uitgebreid met de zielsmelodie van het kind. Tijdens deze ceremonie wordt ook de verbinding gelegd tussen het kind en zijn zielsinstrument.

Firnelfenkinderen bekomen tevens een zwart amulet dat hen voor onheil zou moeten beschermen.

De manier om met doden om te gaan is bij alle elfenvolkeren, behalve de firnelfen gelijk en voor mensen uiterst shockerend. De restanten van een gestorvene worden op een voor de dode belangrijke plaats eenvoudigweg achtergelaten. Na enkele weken verrotting en vraatzucht van de dieren blijft er dan niets meer over. Zo wordt aan de natuur haar deel teruggegeven en op de weg terug in het licht heeft de overledene zijn lichaam toch niet meer nodig.

Elfen in nederzettingen begraven hun doden vaak in de fruittuinen!

De firnelfen baren hun doden meestal op in ijsgrotten, doorgaans zittend of staand, met open ogen en met het gezicht naar het noorden gericht, als verweer tegen de oeroude vijandin Pardona [3]. Omdat de lijken door de vrieskou zo goed geconserveerd worden, is het onmogelijk te bepalen hoe lang geleden de persoon gestorven is.

Voor een elf en zijn nabestaanden is het veel erger dat hij zinloos sterft (m.a.w. zonder zijn voorbestemd lot te kunnen volbrengen), omdat dan zijn levenslied onbeëindigd blijft. Dit zou wel eens de reden kunnen zijn van het terugtrekken van vele sibbes i.p.v. hun gebieden te verdedigen. Ze willen nl. hun licht beschermen tegen een vroegtijdige dood.

Opmerkelijk is dat twee verliefden die met elkaar verbonden zijn in een zielshuwelijk (m.a.w. een vriendschapslied met elkaar hebben aangegaan) er zeker van kunnen zijn dat de een de ander niet langer dan meer dan een uur zal overleven.

 

Magische gaven

Elfen beheersen een intuïtieve vorm van magie [4]. Ze zijn allen magisch begaafd, wat betekent dat ze allemaal de aanleg hebben om magie te bewerkstelligen. Indien deze aanleg niet wordt gestimuleerd -wat in een elfensibbe uiteraard wel intuïtief gebeurt-, komt de magie niet tot uiting. Een elf die om de een of andere reden door bijv. mensen wordt opgevoed kan dus de magische gaven volledig missen, maar evenzeer magiedilettant [5] zijn of magiër aan een academie worden. Alleszins zal deze niet de mogelijkheid hebben om magische elfenliederen aan te leren, laat staan te gebruiken. In een elfensibbe wordt de magie echter niet d.m.v. langdurige studies verworven zoals het bij mensen meestal het geval is, maar op intuïtieve wijze ontwikkeld. Menselijke magie en menselijke tovenaars vinden elfen daarom gewoonlijk akelig. Vaak overschouwen ze met veel wantrouwen de pogingen van mensen om zich magie eigen te maken en de tovermachten uit te buiten, alsook hun algemene omgang met magie, dewelke ze “taubra” noemen.

Hun astrale kracht noemen ze “mandra”, wat verkeerdelijk als ‘zielskracht’ wordt vertaald, vermits elfen dit begrip volledig anders interpreteren dan de mensen. In tegenstelling tot “mandra” staat dan ”taubra” (‘afdwingen’). Dat is hun begrip voor het willekeurige ingrijpen in het astrale patroon door magische manipulatie. Dit was de toverwijze van de hoogelfen en wordt heden ten dage met de menselijke tovermanier geas­socieerd. Taubra is m.a.w. onharmonieus, maar daarvoor niet slecht als dusdanig. Er kunnen immers voor een elf -zeker op avontuur- situaties ontstaan waarin hij uit vertwijfeling of zelfs uit pragmatisme op ‘taubra’-wijze magie hanteert.

Als “zertaubra” kennen ze tegennatuurlijke, weerzinwekkende, volledig disharmonische magie die wordt gehanteerd zonder enige scrupules, zonder rekening te houden met de omgeving of anderen. Hieronder vallen uiteraard demonische en Borbaradiaanse [6] spreuken, maar evenzeer beheersingsmagie die de geest van de denkende wezens (en hieronder vallen volgens hen ook dieren) overwint, knecht en verkracht, alsook omgevingstoverij die de structuur van de wereld verwondt.

Alhoewel elfen dus vaak niet weten dat ze hun magische krachten onbewust inzetten om hun natuurlijke vaardigheden te ondersteunen, zetten ze deze intuïtieve magie, die volledig deel uitmaakt van hun bestaan, dus wel zeer doelgericht én harmonieus in. Magie en muziek hangen hierbij erg hard samen. Hun spreuken worden eigenlijk half gesproken, half gezongen. Ze noemen toveren dan ook wel eens “de melodie van een ander wezen in harmonie brengen met de eigen”. Ze voelen daarbij aan of hun melodieën de harmonie van de wereld zouden verrijken of niet. Terwijl magiërs in de eerste plaats moeten leren om de desbetreffende toverhandelingen exact uit te voeren, leren elfen een gevoel te ontwikkelen om zich af te stemmen op de melodie van een spreuk of ritueel, in harmonie met de omgeving, uiteraard.

 

Badoc

Het elfse begrip badoc is zeer moeilijk te verklaren. Er bestaat sowieso geen echte vertaling voor. Men zou het nog het meest kunnen omschrijven als “in de werkelijkheid treden”, “zich met de werkelijkheid verbinden”, “verwerkelijking” of “mens-wording”, maar ook als “willen hebben”, “trachten te bezitten”, “zin zoeken”, “haast hebben”, “ter beschikking staan”, “gebieden”, “de juiste maat vergeten”, “de andere overtroeven”, “geen dromen hebben”, “negeren”, “zich opofferen”, “waarde schatten”, “nieuws-gierig zijn”, “het onverklaarbare zoeken”, …. In die zin omvat het begrip vooral het negatieve waar de mens voor staat, nl. hebzucht, strijdlust, afwijzing van de natuur, ongeoorloofd en onbe­dachtzaam magiegebruik, egoïsme, moord, wraak, enz. Zo omschreven kan het ook wel vertaald worden als “aanstekelijke onreinheid”. Badoc is niet noodzakelijk slecht. Het schetst eerder iets verlei­delijks, wat een ziels- en zijnsverandering teweegbrengt bij de elf.

Het is m.a.w. voor een elf die zich in de menselijke wereld begeeft zeer moeilijk om zich te beschermen tegen deze verandering. Nochtans heeft ze verregaande consequenties: hoe meer een elf badoc wordt, hoe meer hij zijn elf-zijn verliest, zodat ook “onelfs worden” een vertaling zou kunnen zijn.

Het gevolg hiervan is bijvoorbeeld het intuïtieve contact verliezen met de sibbe, de natuurverbon­denheid verliezen, enz., maar ook een drastische verkorting van zijn leven, tot menselijke proporties, …

Het pad naar het badoc-zijn is noch lineair, noch onomkeerbaar. Ook hebben niet alle elfensibbes dezelfde voorstelling van deze existentiële toestand. De woudelfen vinden de in de nabijheid van steden en (menselijke) dorpen levende elfen beslist zeer badoc, alhoewel deze laatste dat zeker niet zo zien. Toch weten deze eerder ‘vermenselijkte’ elfen ook wel dat hun broeders uit de wouden dichter bij de gemeenschappelijke oorsprong staan dan zijzelf.

Algemeen worden de volgende kenmerken als typisch badoc beschouwd:

–        het massaal houden van dieren onder onwaardige omstandigheden,

–        onnodig kwellen en lichtvaardig doden van andere wezens (uiteraard geldt dit bijvoorbeeld niet voor demonen),

–        de drang naar meer dan men zelf nodig heeft (bijvoorbeeld stroperij, geluksspel, hebzucht, goud­koorts, decadentie, kennis- en onderzoeksdrang),

–        het uitoefenen van macht en dwang over anderen (vooral d.m.v. magie),

–        …

De meeste elfen zijn zich vooreerst niet bewust van de verandering in en aan zichzelf. Ze verliezen langzaam de mogelijkheid om op elfse wijze te toveren, zich over te geven aan de harmonie van de elfenliederen en de salasandra. Als compensatie verkrijgen ze dan wel een dieper inzicht in de menselijke wereld en structuren. De meeste elfen voelen dit vroeg of laat aan en zoeken dan terug naar hun elfse wortels, meestal voor het te laat is.

 

Stappen op de weg naar het badoc zijn bijvoorbeeld:

–        het kunnen inschatten en verinnerlijken van de waarde van geld, zoals een mens dit doet, dus niet alleen als verplicht ruilmiddel bij mensen,

–        het willen bezitten van dingen, die men niet werkelijk nodig heeft, m.a.w. willen bezitten, puur om het bezit zelf,

–        het doden van onschuldigen en het doden zonder nadenken (bijv. de gardisten van de boze baron of de dienaars van de zwarte magae),

–        het inzetten van magie zonder harmonie, bijv. de “Banbaladik” als beheersingsspreuk inzetten of de “Sensibaar” ter ontmaskering van de booswicht,

–        zijn knie buigen en zich onderwerpen aan de willekeur van vreemde mensen, wat niet betekent dat elfen niet loyaal kunnen zijn of geen schuldgevoel, een gevoel van verplichting of dankbaarheid kunnen hebben en tonen,

–        liegen, iets voorwenden, valse beloftes, zijn woord breken,

–        …

Diegenen die toch nog verder afglijden ervaren op een bepaald ogenblik wat het is om superieur te zijn. Ze benutten de superioriteit van hun elfenlichaam, misbruiken de eerbied of de angst van de mensen en ontdekken het ‘taubra’ in zichzelf. Het inzetten van berekende i.p.v. intuïtieve magie om zijn eigen wil door te zetten! Het offer is echter aanzienlijk: zijn eigen sibbe niet meer kunnen vinden en dus geen salasandra meer kunnen bijwonen, verloren zijn in een wereld die intussen vertrouwder is dan het eigen heem, ver van het licht en de eigen oorsprong zijn,… ! Uiteindelijk verliest de elf de glans in zijn ogen, het contact met zijn zielsdier en de betrekking tot zijn lot. Hij zal nooit meer in het licht kunnen treden, ook niet bij zijn dood! Zulke elfen leven vaak -voor elfen- kort en sterven een eenzame dood. Er zijn waarlijk aantrekkelijker omstandigheden in het leven van een elf!

 

Taal en schrift

De collectieve taal en het gemeenschappelijk schrift der elfen heet isdira. Het is een zeer melodieuze taal, waarbij het zangerige in de taal de stemming en betekenis onderstreept. (Net zoals bijvoorbeeld de verscheidene klanken in een toontaal.) Tussen de verschillende volken is er bijna geen verschil, zodat men elkaar zonder probleem kan verstaan. Alleen het vocabularium kan wat verschillen. Waar de firnelfen tientallen woorden gebruiken voor allerlei sneeuwsoorten, kennen de woudelfen dan weer allerhande bos- en woudtypes. Tegen een woudelf zeggen dat je in het bos een mooie bloem hebt gezien, is dan ook even onduidelijk als tegen een mens zeggen dat je een grote man hebt ontmoet in de stad.

Tweestemmigheid is geen voorwaarde om isdira te kunnen spreken, maar veel facetten gaan bij eenstemmigheid verloren. Daarenboven vinden zeer veel elfen de eenstemmige uitspraak niet buiten­gewoon aantrekkelijk.

 

De 27 schrifttekens van het isdira zijn kunstige krullen en kronkels die gemakkelijk kunnen aangebracht worden in gekromde boom-, blad-, of lederoppervlakten.

Lezen en schrijven heeft bij elfen niet zo’n hoge betekenis en wordt vaak overgelaten aan de legenden­zangers en toverwevers van de sibbe.

Het asdharia (letterlijk: ‘taal der belichaming’) is de elfse oertaal waaruit het huidige, veel eenvoudigere isdira reeds kort voor de val der hoogelfensteden ontstaan is. Het zowel in uitspraak, woordenschat als schrift veel moeilijkere asdharia is zelfs voor de hedendaagse elfen moeilijk onder de knie te krijgen. Voor enkele van de oudste en machtigste toverliederen is het asdharia echter noodzakelijk zodat het door alle elfenvolken nog steeds wordt doorgegeven.

(Voor een woordenlijst, zie bijlage.)

 

Kunst en muziek

Kunst en muziek behoren tot de dagelijkse gewoonheden van elfen. Zelfs alledaagse gebruiks­voorwerpen of ze nu uit hout, been, leder of katoen zijn, worden doorvlochten met filigrane orna­mentiek waarin vaak op geraffineerde wijze schrifttekens verborgen zijn. Meestal worden abstracte of florale vormen gebruikt. Bij de firnelfen kan men dan weer filigrane afbeeldingen van ijskristallen aantreffen. Het is vanzelfsprekend dat ook magie wordt aangewend in hun kunst en ambachtelijke meesterstukken.

Bijna nooit zal men voorstellingen vinden van personen of dieren. Elfen geloven nl. dat dit de werkelijkheid zou kunnen aantasten en dat deze afbeeldingen door andere rassen zou kunnen misbruikt worden als fetisj of focus.

 

Elfse muziek verschilt volkomen van de diegene van andere Avonturijnse volkeren, want voor elfen is muziek een elementair deel van de stoffelijke, geestelijke en magische wereld en dus een deel van hun eigen existentie. D.m.v. muziek worden niet alleen klanken gesponnen, maar evenzeer beelden, geuren, en bovenzinnelijke en magische indrukken.

Vertellingen worden vaak benadrukt door gezang en muziek of worden gebruikt om de ander iets duidelijk te maken of deel te laten hebben aan de eigen waarnemingen en indrukken.

D.m.v. muziek kunnen elfen zich tevens beter afstemmen op de omgeving en ze beter begrijpen.

Het idee muziek gewoonweg passief te spelen voor een publiek is voor elfen dan ook zeer vreemd. Muziek is voor hen communicatie of het nu met anderen of met de omgeving is, maar alleszins geen consumptievorm.

Muziek wordt voortgebracht door het zielsinstrument of de stem:

–        Het zielsinstrument is dikwijls een fluit (uit been), maar ook andere materialen en instrumenten komen voor. Met dit instrument kan de elf aan de salasandra deelnemen. Ermee rekening houdende dat een elf in de regel enkel in zijn eigen sibbe een vervangend zielsinstrument kan verkrijgen, is het verlies ervan dan ook een vreselijke belevenis, te vergelijken met de dood van een zielsverwant.

–        Vanwege zijn tweestemmigheid kan een elf een groot aantal klanken voortbrengen die zeker niet alleen tot woorden moeten leiden. Ook het imiteren van 2 fluiten e.d. behoort tot de mogelijkheden.

 

Bijgeloof bij elfen

Wie dacht dat de elfen vrij waren van enig bijgeloof, heeft het stevig mis. Het is net het buitengewone aanvoelen dat elfen hebben voor veranderingen in hun omgeving dat tevens de basis schept voor allerlei bijgeloof. Zo lezen de ouwelfen in het door de wind neergedrukt gras of hoe de forel het slijk omwoelt de momentele toestand van de melodie en dus het welbevinden van de omgeving af. De woudelfen duiden dan weer de wolkenbeelden of de dierengeluiden.

De firnelfen dragen beschermingsamuletten uit ivoor, barnsteen en onyx tegen allerlei kwaad. Sommige steppenelfen volgen dan weer de wind, want die zal hen naar de juiste kampplaats leiden.

Een diep geworteld bijgeloof zegt dat dwergen hout kappen en het onder de grond brengen om ooit de aarde te kunnen in brand steken. Ook het geloof dat men katten berichten kan meegeven voor geliefden en dat de intelligente aanblik van een kat betekent dat een vriend aan de elf denkt, is weid verspreid onder het elfenvolk.

 


[1] Zie bijlagen: Elfse geschiedenis, p. 28

[2] Eilanden in de nevel: eilandengroep die zich ergens in een andere globule, in de diepten van de limbus, bevindt.

[3] Pardona: Oeroude -nog steeds levende- hoogelfin die de noordelijke hoogelfen duizenden jaren geleden in het verderf stortte.

[4] De Avonturijnse magie is een soort stroming die de planeet omgeeft, doordat de (stervende) halfgodin Mada de sferen doorbrak zodat deze ook de derde sfeer, waarin de wereld ligt, kon bereiken. Volgens de overlevering werd ze hiervoor door Praios gestraft die haar in een steen bande en aan het firmament smeet, waar ze nu nog steeds te zien is als de maan.

Deze energie, de astraalkracht, kan door wezens die er gevoelig voor zijn (magiebegaafden) gekanaliseerd worden zodat ze op die manier bepaalde effecten teweeg kunnen brengen. Indien een wezen niet ontvankelijk is voor deze stroming, zal het nooit in staat zijn om magische effecten te creëren d.m.v. astrale kracht.

Astrale energie is overigens volledig losstaand van de karmale kracht waarmee gewijden hun liturgieën uitvoeren. Deze kracht wordt de gewijde verleend door de goden.

[5] Magiedilettant: Iemand wiens magische gaven nooit of te laat ontwikkeld zijn geworden zodat hij slechts beperkte magische vaardigheden bezit. Sommigen onder hen weten zelfs niet dat ze magisch begaafd zijn.

[6] Borbaradiaanse spreuken: spreukencanon, gecreëerd door de zeer machtige oeroude aartsmagiër Borbarad die ongeveer een decennium geleden (nogmaals) Avonturië probeerde te veroveren. Hij en zijn troepen werden met grote verliezen en offers uiteindelijk verslagen in wat men de derde demonenslag noemt. Zijn nalatenschap bestaat o.a. uit een aantal op bloedmagie gebaseerde spreuken. De door zijn aanhangers veroverde gebieden konden echter (bijna) niet terug veroverd worden en worden de Zwarte Landen genoemd.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s