Geschiedenis van de Thorwalers

De nu volgende geschiedenis van de Thorwalers of Hjaldingers werd opgesteld door een veelheid aan bronnen, elk met hun eigen geloofwaardigheid, samen te voegen. Hierbij hebben we gepoogd de meest duidelijk onjuiste berichten en overdrijvingen te schrappen, wat bij de geschiedschrijving van de Thorwalers voorwaar geen eenvoudige onderneming is. Het meeste dat we weten stamt uit de liederen en sagen van de Thorwalers zelf.

Slechts een kleiner deel komt van schriftelijke bronnen. Toch hopen we dat de hier voorgestelde historie zowel de geschiedkundigen als de rondtrekkende helden van nut is en hen enigszins inzicht biedt in de beginperiode van ons Avonturijnse continent.

 

Uit lang vervlogen tijd

Het moet ongeveer omstreeks het jaar tweeduizend achthonderd voor de troonsbestijging van keizer Hal (+/- 3800 v. BV) geweest zijn wanneer een Tulamidische stam van de Darpatbaai naar het noordwesten trok en zich na vele jaren rondtrekken uiteindelijk vestigde in het hoogland ten zuiden van de Grijze Bergen. De oorzaken van deze tocht zijn voor ons net zo onduidelijk als het motief voor de keuze van juist die plaats. Langzamerhand pasten de inwijkelingen hun levenswijze, zeden en gebruiken aan de onbekende en barre omgeving aan. Er ontstond een ‘nieuw’ volk dat niet veel meer gemeen had met de Tulamiden uit het zuiden en waaruit het soort mensen is voorgekomen dat wij ‘Norbarden’ noemen. In hun nieuw vaderland leefden de afstammelingen van de Tulamiden eerst van berenjacht en visvangst. Later deden ze meer en meer aan landbouw en veeteelt en bouwden ook de eerste stenen vestingen, hoge ronde torens, waarin ze zich terugtrokken voor de overvallen van de zwartpelzen.

Tezelfdertijd leefde aan de overkant van de zee in het westen een volk dat zich Efferdskinderen of (naar hun vaderland Hjaldingard) Hjaldingers noemde en dat leefde van visserij en kusthandel. Dit volk van moedige zeevaarders en zeevaardsters bewoonde een klein noordelijk stukje van het grote continent dat men in Avonturië het Guldenland noemt. Zuidelijk van Hjaldingard was er een jong koninkrijk genaamd Cantera dat snel in alle richtingen uitbreidde en over een schier onuitputtelijk aantal krijgers scheen te beschikken. Een confrontatie met de Efferdskinderen was haast onvermijdelijk.

Hoe het leven in Hjaldingard in die tijd was is ons helaas niet overgeleverd, want de oudste Thorwaalse sage, het Jurgalied, wordt ingezet met het doordringen van de Canteraanse legioenen en de ondergang van Hjaldingard.

 

Veertig schepen en tweeduizend mensen

De strijd van de Hjaldingers tegen de legioenen, die veel talrijker waren, was hard en langs beide kanten was het verlies groot. Toen het vijandelijke leger uiteindelijk voor Hjardingsolm, de hoofdstad van de Efferdskinderen, post had gevat, nam de Raad der Hjaldingers, aangevoerd door Jurga Tjalfsdotter, een ernstig besluit: de zowat tweeduizend overblijvenden maakten veertig ottas en knorren zeeklaar, verbrandden hun bezittingen en zetten koers naar het oosten. Wie niet kon meevaren omdat hij verwond, ziek of oud en zwak was, greep vrijwillig naar gif of dolk. Wanneer de Canteraanse legioenen de rokende overblijfselen van Hjardingsolm betraden, vonden ze niet één levend wezen.

Ondertussen voer Jurgas vloot naar het noordoosten, op de vlucht voor de galeien die de kustwateren beheersten. Algauw verzwakten honger, dorst en ziekte de vluchtelingen, en ook Efferd scheen dit volk, dat hem nochtans boven alles vereerde, niet genadig. Want in een hevige storm gingen drie schepen en tweehonderd mensen jammerlijk ten onder. De vrees voor de onberekenbare zeegod liet de bemanning de moed verliezen. Het vertrouwen in Jurga slonk.

Na vele weken varen echter stuitten de Hjaldingers op een menigte grote walvissen, aangevoerd door een reusachtige witte potvis die zich als Swafnir, zoon van Efferd, te kennen gaf. Hij leidde hen naar een steil rotseiland. Daar vonden de Hjaldingers fris water en fruit, daar zwoeren ze Swafnir hun onverbrekelijke trouw.

Maar de tocht werd voortgezet. Na nog meer eindeloze weken op de woelige zee bereikten ze een groter eiland dat dicht begroeid was met groene weiden en bloeiende fruitbomen en waartussen wild in het rond huppelde. Op wonderbare wijze vulden de laadruimen van de Hjaldingse schepen zich met voedsel en water. Jurga, die aan land ging, vond een gouden tempel en bleef er drie dagen en drie nachten. Hier werd haar het komende lot van de vloot en haar eigen levenseinde onthuld.

Op een koele en nevelige Boronsdag in 1626 v. BV (2619 v. Hal) belandden de laatste 19 schepen met amper 600 overlevenden uiteindelijk op de ondergesneeuwde noordkust van Avonturië, waar ze hun winterkamp opzetten. Hun eerste nederzetting noemden ze Olaport.

De koude winter die volgde decimeerde het aantal van de laatste Hjaldingers nog eenmaal tot op de helft. Onder de doden was ook Jurga Tjalfsdotter, gestorven tijdens de midwinternacht van een heden onbekend jaar.

 

De Hjaldingers komen

Lang bleef het stil in het noordwesten. We kunnen vermoeden dat de Hjaldingers verbroederden met de Norbardische oerbewoners of tenminste met hen tot een akkoord kwamen. De eerste grote nederzettingen waren vermoedelijk Olaport, Prem en Vidsand, met andere woorden, plaatsjes langs de kustlijn.

In het jaar 1861 v. Hal bereikte een expeditie onder leiding van Admiraal Sanin de Bodirmonding waar de expeditieleden in een stad genaamd Torwjald behoorlijk onvriendelijk ontvangen werden. Toen ook latere expedities en afgezanten zonder resultaat terugkeerden werd weldra de naam Torwjalder of Thorwaler in het Oude Rijk een synoniem voor onvriendelijkheid en lompheid.

Op een koude Phexmorgen in 799 v. BV (1792 v. H.) verschenen drie drakenschepen aan de horizon voor het kleine stadje Grangor. Wanneer ze het drie dagen later opnieuw verlieten, was van Grangor niet meer over dan rokende puinresten. De Hjaldingers – of Thorwalpiraten zoals ze van nu af aan heetten – beseften wie de bewoners van de zuidelijke kuststreken waren: kolonisten van het gehate Guldenlandse imperium, Cantera, die hier op het kleine continent Avonturië de staat Bosparan oftewel het Bosparaanse rijk hadden opgericht.

Havena, Grangor, Kuslik, Neetha, Mengbilla – steeds opnieuw werden de volgende honderden jaren de zuidelijke vestigingen overvallen. Maar de meest moedige was weliswaar de rooftocht naar Bosparan, wanneer op 9 Travia 331 v. BV (1324 v. H.) zestien schepen de Yaquir opvoeren, de stad Noord-Bosparan (op de plaats van het huidige Vinsalt) bezetten en alle bruggen over de Yaquir verbrandden. Ze bleven er bijna een week gedurende dewelke ze de stad tot op de laatste kreuzer leegplunderden. Pas toen een ontzettingsleger uit Kuslik bij de stad aankwam trokken de Thorwalers zich terug.

Tegen het einde van de ‘Duistere Tijden’ werd gemeld dat de drakenschepen de kuststeden voor het eerst met handelsgoederen aan boord aandeden. Als een stad te groot en te goed versterkt was om geplunderd te worden gingen de Thorwalers er aan land en boden zeildoek en brandewijn te koop aan. Enkele weken later kwamen dan meestal schepen met meer handelswaar – of met strijders, omdat er verder geplunderd werd.

In het noorden verliep de ontwikkeling veel minder krijgszuchtig. Thorwaalse en Olportse kapiteins voeren om de noordelijke punt van Avonturië heen en ontdekten het einde van de wereld – het Ijzeren Zwaard. Ook zetten de Hjaldingers nederzettingen op, waaronder Tjolmar aan de Svelt en Hjalmeford aan de Kvill. In deze oorden kende het leven een bloei. Hier ontmoetten Thorwalers, Nivezen en Norbarden elkaar, hier werden de eerste contacten met het onbekende Elfenvolk gelegd en werd ook aan woudlopers, jagers en kolonisten uit het zuiden vriendelijk onderdak geboden. Hjalmeford kon niet lang genieten van zijn grootte: daar de stad herhaaldelijk geplunderd en gebrandschat werd door rondzwervende orkstammen werd ze tenslotte verlaten. Pas vele jaren later werd op dezelfde plaats de stad Riva gesticht.

In het zuiden kwam de ondergang van het Bosparaanse Rijk. Vluchtelingen uit het Lieflijke Veld verspreidden zich in alle windstreken. Ook in Thorwal zochten ze toevlucht. Thurske, de opperste hetman van die tijd, liet hen uiteindelijk toe zich in het hoogland te vestigen. Uit de mengelmoes van volkeren ontstond algauw een taai slag van mensen die vooral boeren en woudlopers waren. Zoals enkele eeuwen tevoren werden door hen nieuwe nederzettingen gesticht (Gwaryd, het huidige Waskir, is hiervan een voorbeeld) of het heil in vreemde landen gezocht. Veel bewoners van Albernia kunnen bijvoorbeeld hun herkomst tot in het Thorwaalse hoogland ten zuiden van de Grijze Bergen gaan zoeken.

 

 

Onder het Zonnenvaandel

Tijdens de nu volgende jaren waren er zowel te land als ter zee steeds weer schermutselingen met eenheden van het machtiger wordende Nieuwe Rijk (later Middenrijk genaamd) dat zich van het oude Bosparaanse rijk had afgescheurd en het had verslagen. De zeegevechten liepen meestal af ten gunste van de Thorwalers. Toch staakten de Thorwalers weldra de plundertochten op Albernia met het oprichten van de Keizerlijke westvloot. In het voormalige Oude Rijk (Bosparan) waren toch al geen rijkdommen meer te vergaren. Rond het jaar 143 BV (850 v. H.) legden de Thorwalers onder hun hetman Isleif zich opnieuw toe op handel langs de noordkust. (De Thorwaalse kunst om handel te drijven werd immers reeds hierboven aangehaald).

De aanval van de keizerlijke vloot op de dertig ottas in de haven van Salza kwam dan ook volledig onverwachts. Tijdens de vroege ochtenduren van 27 Phex 291 BV (702 v. H.) verschenen aan de westelijke horizon 71 galeien van de meest verscheidene bouwstijlen, de gehele westvloot van het Nieuwe Rijk. De daaropvolgende zeeslag duurde tot diep in de nacht en eindigde in het voordeel van de keizerlijke vloot, niet in het laatst dankzij het moderne scheepsgeschut van de galeien. De Thorwalers verloren 24 ottas, de keizerlijke vloot 27 galeien. Admiraal Vikos liet ogenblikkelijk koers zetten naar het noorden en hij slaagde erin de totaal onvoorbereide stad Thorwal te overrompelen.

De verovering van de resterende Thorwaalse gebieden gebeurde de volgende drie jaren. Enkel Olport en de eilanden bleven onbezet. Toch werd ook in Olport een citadel gebouwd, maar door toeval (of Efferds wonderen?) werd de stad niet door de keizerlijke troepen ingenomen.

In Thorwal werd de hetman door een Middenrijkse commandeur vervangen en werd eveneens onmiddellijk begonnen aan de bouw van een citadel. Korte tijd later werden de eerste vestigingen in de Bodirvallei gesticht; gemeenschappelijke nederzettingen van Thorwalers en Middenlanders die wegens de constante bedreiging van de Orks allemaal versterkt waren. De verhouding tussen de noordelijke lieden en de nieuwe inwoners uit het Nieuwe Rijk had tot echte verbondenheid kunnen ontwikkelen – algauw vermengden de zeden en gebruiken met elkaar en werden de gewoonten en ambachten van de anderen overgenomen – ware het niet dat in Gareth de priesterkeizer de troon had bestegen.

De verhoging van de belastingen, het verbod op de verering van Swafnir, en de onvermijdelijke doordrijving van de Praioscultus hitste spoedig de Thorwalers op tegen de bezetter, de gehate Guldenlandse indringers. Wat aanvankelijk wrijvingen waren ontwikkelde weldra naar een guerrillaoorlog die langs beide kanten zonder omzichtigheid en genade gevoerd werd. Maar zelf de vastberaden Thorwalers hadden de zonnelegioenen niet kunnen verdrijven als in het noorden het sprankje vrijheid niet behouden was. In de jaren 413 tot 430 BV (580 tot 563 v. H.) drongen steeds opnieuw ottas uit de vrije haven Olport in de Golf van Prem door en vernietigden scheepsladingen die voorzieningen voor de legioenen bevatten. Op 16 Rahja van het jaar 431 BV (562 v. H.) stak een grote eenheid van de keizerlijke vloot in Salza van wal om de Olportse rebellenschepen te vernietigen. Doch in plaats van de verwachte dozijnen trof de vloot achtentwintig drakenschepen aan die helemaal in een inham verstopt waren en slechts op het vertrek van de keizerlijke vloot hadden gewacht. De noordelijke lieden omzeilden de salvo’s van het scheepsgeschut en enterden ogenblikkelijk de vijandelijke schepen. Zeven uur later restten van de 19 galeien van het Nieuwe Rijk slechts nog drijvende wrakstukken. Zoals eertijds admiraal Vikos gedaan had, liet ook de Olportse hetvrouw Thorfinna de scheepsboeg naar het noorden richten en met volle kracht richting Thorwal varen. De volgende slagen die zelfs tijdens de Naamloze dagen voortduurden waren bloedbaden enig in zijn soort. De opstandige Thorwalers en Thorwalerinnen lieten niet een soldaat van het zonnenlegioen in leven. Zelfs kinderen en grijsaards en alle aanverwanten van de gehate Praiosdienaars en hun gerechtsdienaars werden gedood of verdronken. Wanneer de reeds half vergane kop van de protector van Bodironië aankwam in Gareth moet Keizer Gurvan ziedend van woede en een hartaanval nabij geweest zijn. De gevechten duurden weliswaar nog enkele jaren voort, maar zonder de slagvaardige vloot en de eenheden van het zonnenlegioen konden de Garethers geen afdoende overwinning meer behalen.

 

 

De grote Pest

En dus had Thorwal zijn vrijheid weer. Ook in Prem en Waskir werden de gehate landvoogden verdreven en de handel met het vrije Olport weer opgenomen. In de volgende honderdvijftig jaar bloeide de Thorwaalse scheepvaart opnieuw op onder de opperste hetlieden Ragnar, Simjara en Hjorne. Vooral in Riva waren de ottas weer graag gezien en brachten ze immers nieuws uit het zuiden, het Rohalse Rijk. De eindeloze uitgestrektheid van Ifirns Oceaan werd verkend om de Ifirnspilaar terug te vinden – tevergeefs echter. Van piraterij is uit die tijd weinig bekend. Alleen werd Al’Anfa, de stad der gehate slavenjagers, tweemaal aangevallen. Ook vorming en wetenschap kenden weer een bloeiperiode, want de uitwisseling van kennis met het Middenrijk versterkte opnieuw tijdens het bewind van Rohal de Wijze. In die periode werden ook de magiërsacademies van Thorwal en Olport officieel opgericht.

Zowel de Hal van de Wind te Olport als de School der Waarneming te Thorwal (de stad) waren niet betrokken bij de Magiërsoorlogen na het verdwijnen van Rohal. Deze oorlogen betekenden echter het begin van de ondergang van de Middenrijkse cultuur – ten minste in het noorden: in het jaar 598 BV (395 v. H.) werden de nederzettingen Bodirsford, Svirna en Dragsjelme – allen dorpen uit de tijd van de kolonisatie van de Bodirvallei – door plunderende orkenstammen overvallen en platgebrand. In de winter van datzelfde jaar viel Angbodirtal en in Rondra 394 stonden de eerste Orkhorden voor Thorwal. Daar ze door hun grote buit en hun legertros echter zo onbeweeglijk waren konden ze teruggeslagen worden. Aan de andere kant van het Orkland waren in die periode enorme formaties Orks losgebarsten en tot in het hart van het Middenrijk doorgedrongen. Wanneer de Orks daar reeds vernietigend verslagen waren, slaagden ze om in het westen nog een laatste grote zege te behalen: wel vijfduizend van hen stortten zich in het jaar 601 BV (392 v. H.) op alle kolonies aan de Bodirmonding. Ook ditmaal konden ze pas in Thorwal tot staan gebracht worden. Het laatste gevecht had zelfs reeds binnen de stadsmuren plaats. Hetvrouw Hjalka, die de verdediging leidde, kwam daarbij om het leven, en met haar ook zeker duizend Thorwalerinnen en Thorwalers. In de straten stapelden de lijken op, veel te veel voor een normale begrafenis… Spoedig kwamen er steeds meer gevallen van ziekte en zwakheid – begrippen die de Thorwalers tot dan toe nauwelijks gekend hadden. Eerst waren er maar een paar gevallen van slagveldkoorts en orkenschurft. Na de hongerwinter en de kletsnatte Peraine van 390 echter werd het nog erger. Weldra nam het aantal gevallen van bloedige droes (ook bloedend snot genoemd) en blauwe kink toe. Geen  toverspreuk, talisman of gebeden konden de uitbreiding van de epidemie verhinderen. In Praios 605 BV (388 v. H.) leefden in Thorwal (de stad) nog maar duizendvijfhonderd mensen. Ook de vlucht overzee stopte de verspreiding van de kwalen niet, integendeel, de kwalen werden nu overgebracht naar Olport, Salza en Prem. Twee jaar later was in alle kuststeden bijna een derde van de bevolking omgekomen. Treur en stilzwijgen lagen als een lijkkleed over het land tussen Ingval en Gjalska…

Van de volgende driehonderd jaar is ons van de Thorwalers weinig bekend, maar men kan uit de liederen van de skalden opmaken dat de bouw van de winterhaven en het kanaal uit die tijd stammen. Ook van een versplintering in vele kleine ottajasko’s en hetmanschappen spreekt men, van slechte bedoelingen en rondzwervende monsterachtigheden in veenland en moeras. Op de eilanden heersten duistere druïden en verstotenen belust op bloed, de Bodirvallei bleef verlaten. Enkel in en rond Myrburg gebeurden geschiedwaardige dingen; dingen waarvan toch waarschijnlijk niet meer dan een gerucht tot in Thorwal doordrong.

 

Drakenschepen voor Chorhop

Op 19 Rondra van het jaar 906 BV (87 voor Hal) werden de Thorwalers weer ten zuiden van Nostria opgemerkt.

Na een korte halte in Havena zetten 6 ottas koers naar het zuiden. Op 7 Efferd landen ze in Brabak. In tussentijd hebben ze de steden Chorhop en Mengbilla geplunderd, schatten ter waarde van zo ’n 50.000 dukaten werden buitgemaakt en er werden ook meer dan duizend mannen en vrouwen gedood.

Een jaar later biedt hetvrouw Olverja Kendrifari in Brabak de totaal in schulden geraakt koning Ariakon III een deel van haar schatten en het sparen van de stad aan op voorwaarde dat Brabak in de toekomst zou afzien van de slavernij en de Thorwalers steeds in een bepaalde haven zonder tol of kosten terechtkonden. Dit was een regeling waarover de huidige heerser van Brabak, koning Mizirion II, graag nog eens zou onderhandelen. In de daaropvolgende jaren werd de ottajasko van de Blauwe Roggen de schrik van de Parelzee, tot ze voor Selem door veertien Al’Anfaanse galeien tot staan gebracht en vernietigd werd. Amper een schip kon van volle zee terug naar Brabak varen. De rest van de Blauwe Rogge werd weldra de kern van de Brabakse Zeehuurlingen, die onder het commando van Torgal Hammerfaust in het jaar 947 BV (46 voor Hal) in de slag van Charypso de doorslag gaven ten gunste van de Liga van het Vrije Rijk.

In het westen werden de rooftochten verder gezet. Vooral de havens op de Cyclopeneilanden en de steden Chorhop, Drôl en Mengbilla hadden voortdurend te lijden onder overvallen. Pas wanneer uit de steden geen enkele dukaat meer te persen viel eindigden de rooftochten in het jaar 954 BV (39 voor Hal). De kreet “De Thorwalers komen eraan!” is vandaag nog steeds voldoende om een groot deel van de bevolking van Drôl in paniek te brengen. Ook hebben de Thorwalers sindsdien geen handelsbetrekkingen meer aangeknoopt met deze steden. In plaats daarvan stichtten ze handelsposten aan de kusten van hun eigen vestigingen van waaruit ze met de inboorlingen handelden en van tijd tot tijd andere schepen bedreigden. Vooral de ottaskins bij Drôl en ten noorden van Brabak, die in die periode opgericht zijn, zijn gevreesd voor hun piraten.

De opperste hetman van de Thorwalers was van 905 tot 932 BV (88 v. H. tot 61 v. H.) Hardred Bjarnison van de otta ‘De Zwaardhaai’ die zowel naar buiten als naar binnen toe met ijzeren hand heerste. Het was hem voor korte tijd gelukt om de onafhankelijke jarldommen en hetmanschappen ongeveer in een natie samen te brengen. Zelfs vaste landsgrenzen werden met de Orks en de Sveltse Stedenbond door onderhandelingen bepaald. De betrekkingen met het Bornland, die gewoonlijk tamelijk goed waren kwamen echter tot een abrupt einde wanneer de Thorwaalse piraat Atmaskot Blutsäufer in het jaar 925 BV (68 v. H.) resoluut de Festumse haven overviel en het Speichereiland (opslageiland) bezet. De veldtocht van Festum tegen alle Thorwalers in de Parelzee die daarop volgde werd pas in het jongste verleden beëindigd.

Hardreds poging om Albernia op de knieën te dwingen mislukte wanneer de kleine Thorwaalse vloot in de oorlogshaven van Harben een zware nederlaag moest ondergaan. De hetman moest zich met een wederzijdse niet-aanvalsbelofte tevreden stellen.

Door het opengaan van de Albernische haven wordt aan het Middenrijk echter spoedig een nieuwe slechte gewoonte van de Thorwaalse manier van doen geopenbaard: het immanspel. De verovering van Albernia door de ruwe mannen en vrouwen van hetman Hardred mislukte nl.; essenhout en kurk lukte dit echter binnen twee decennia.

Het lukte Hardreds dochter Eilif niet om het erfgoed van haar vader te bewaren. Ze moet na acht jaar als opperste hetvrouw genoegen nemen met het feit dat ze de Hjalding als vaste instelling had opgericht. Van een eenheid van afzonderlijke ottajasko’s, jarldommen, hetmanschappen en dorpsgemeenschappen was geen sprake meer. In het jaar 940 BV (53 voor Hal) werd Eilif dan ook niet herverkozen en werd ze vervangen door Swafnild Thorfinnsdottir – de enige kandidate waarover de Hjalding het eens kon worden. Wat als voorlopige oplossing was bedoeld tot een ottajasko machtiger geworden was, ontpopte zich tot de langste periode met een homogene regering. Als er onder de Thorwalers een man of een vrouw was die het staatsmanschap zo goed kende als een Garethse of Vinsaltse geheime diplomaat, dan was het wel Swafnild, de ottaloze handelsdochter uit Olport. Zonder invloed uit te oefenen slaagde zij erin om de verscheidene fracties tegen elkaar uit te balanceren en zo een periode van tenminste buitenlandse stabiliteit te bereiken. Swafnild werd ook op veel plaatsen bekend als de ‘Soldernierskoningin’ omdat in haar enthousiasme de eerste overeenkomsten over het verhuren van ganse ottajasko’s aan bevriende naties gesloten werden.

De bedstee van de hetvrouw werd op een morgen bezoedeld met bloed teruggevonden. Swafnild was verdwenen. Nooit meer heeft men van haar iets gehoord. Het is nooit gelukt om het raadsel van haar verdwijning op te lossen.

Het duurde haast twee jaar tot de Thorwalers het eens werden over een nieuwe opperste hetvrouw: Garhelt, hetvrouw van zowel de Gischtreiter- (Schuimrijder) als de Windzwinger-ottas (Windbedwinger). Het is Garhelt in het jaar 980 BV (13 v. Hal) als eerste gegund om een verdrag met het Nieuwe Rijk te sluiten. Tijdens haar ambtsperiode had Thorwal zich voor de eerste maal in de geschiedenis ook ontwikkeld tot een machtsfactor in de buitenlandse politiek van het grote Rijk. De Thorwaalse sibben en ottajasko’s hingen beter dan ooit samen, en hun voortdurende overvallen namen toch af. Garhelts slimme politiek werd gevoelig verstoord wanneer hetman Eldgrimm de Lange op grond van een wet zonder veel plichtplegingen het Nostriaanse stadje Kendrar veroverde en zodoende de grenzen van het Thorwaalse grondgebied tot aan de Ingval naar het zuiden opschoven. De heftige protesten uit Gareth waren echter snel voorbij (keizer Hal bevond zich op Maraskan om aldaar de opstand te bedwingen) en Nostriaanse oorlogsbedreigingen werden in Thorwal toch al niet ernstig genomen.

In het jaar 1007 BV (14 Hal) ontvoeren Thorwaalse piraten de Nostriaanse prinses Yasmina Araloth, die daarop door avonturiers wordt bevrijd.

Tijdens dit jaar komt het op de herfsthjalding tot een conflict tussen de Thorwaalse Kapiteins Asleif ‘Foggwulf’ Phileasson en Beorn de Blinde, waarop een wedloop tussen de twee wordt ingezet om in 80 weken rond het continent te varen.

Hetvrouwe Garhelt stierf op 27 Efferd 1008 BV (15 Hal). Sindsdien heeft nog niemand het opperste hetmanschap van haar zoon Tronde betwist. Tronde wordt gehouden voor een woeste kerel die reeds heel Avonturië heeft gezien, maar ook goed op de hoogte is van het staatsmanschap. De Thorwaalse hetlieden maken het hem echter niet gemakkelijk. Ze overvallen Enqui, een walvisvaarsdersnederzetting en houden het tot op heden bezet.

Als begin 1010 BV (17 Hal) Orkse troepen zich in Khezzara verzamelen herinnert hetman Tronde zich het zwaard Grimring en haar vreemde macht over de Orken. Het lukt een moedige groep avonturiers het zwaard te zoeken en te bergen in het Steeneikenwoud en in een tweegevecht met een Orkse kampioen de dreiging van een Orkinvasie af te wenden. Bovendien slaagt Tronde erin om na taaie onderhandelingen met de Orkse hoofdman Mardugh Orkhan een duurzame wapenrust rond Enqui af te roepen. Bovendien rookt hij in hetzelfde jaar Daspota, het piratennest der vogelvrijverklaarden, uit met zijn hetskari. Het waren deze piraten die de Nostriaanse prinses Yasmina ontvoerd hadden.

Ondanks de tegenkantingen van de meer traditionele noordelijke Thorwalers verkrijgt Tronde -niet het minst vanwege de invasie der Borbaradianen in het oosten van het continent (Middenrijk)- uiteindelijk bredere ondersteuning voor een meer verbonden Thorwal.

In 1022 BV (29 Hal) plundert een Thorwaalse ottajasko de Horatische stad Drôl (nog maar eens) en entert het pronkschip van de Rahjakerk, wat leidt tot een oorlog tussen Thorwal en het Horasrijk. In 1023 BV (30 Hal) laat de Horatische vloot haar superioriteit zien, beschadigt de stad Thorwal zwaar, keldert een groot deel der Thorwaalse langschepen en bezet een deel der Olportstenen. De Thorwalers veroveren dan weer het Horatische vlootsteunpunt Nieuw-Bosparan op het zuidelijke eiland Bilku in 1024 BV (31 Hal). Tijdens datzelfde jaar verdwijnen er mensen, zowel op de Horatische nederzetting in Thorwal als in de rest van Thorwal langs de kust. Beide rijken beschuldigen elkaar van deze mysterieuze verdwijningen.

In het jaar 1025 BV (32 Hal) wordt de Runajasko, de magieschool van Olport onder verdenking van bloedmagie e.d. uit het Grote Grijze Gilde uitgesloten. In datzelfde jaar komt men tot de ontdekking dat de geheimzinnige verdwijningen de schuld zijn van Glorana, de ijzige heerseres van het demonische ijsrijk Glorania, waarop in het grootste geheim vredesonderhandelingen starten tussen Thorwal en het Horatiaat. Een verdrag wordt in 1026 BV (33 Hal) ondertekend.

Als in de winter van dat jaar de Middenrijkse westelijke provincie Albernia overvallen wordt door Orks komt Thorwal Albernia ter hulp omdat ze zich vanuit de historie met hen verwant voelen.

Als Tronde Torbenson half 1026 BV (33 Hal) geplaagd wordt door duistere visioenen, gaat hij met Grimring in de hand zijn lot tegemoet in een gevecht tegen de handlangers van de demonenaanhangster Glorana. Zijn dochter verklaart zich bereid als opvolgster en wordt uiteindelijk onder voorwaarden tot opperste hetvrouwe gekozen. In 1027 BV (34 Hal) rooft ze volgens de oude traditie haar verloofde Finnwulf Dhaenkirsson van de Nunnursibbe en trouwt met hem een half jaar later. Niet veel later kan ze zich afzetten tegen haar grootste concurrente Marada Gerasdottir en wordt uiteindelijk definitief tot hetvrouwe der hetlieden gekozen. Of het haar zal lukken om Thorwal te verenigen, zal de toekomst uitmaken.

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s