Aanhangsel

Elfse woordenlijst


A

aanval, ha’yâ

adder, sisla

adelaar, aar

avondzon, Sao

B

band, handhaaf

bedreigend (onmogelijk), dar

bedreiging, aars

beer (agressief) borger, (mm.)

beer (vredelievend) bron, (mm.)

berg, Ta

bergleeuw, buma

bescherming, ara

bever, glasaal

bloem, gelei

bloemen, daal

boog (elfenboog), yara

boom, alle

boomdraak, tarra

boomfee, Vila

broeder, (i)ama, aam

C

communiceren (zonder magie), vgl. sa, i’s

communicatie der elfen, feysala

D

dapperheid, mini

das, harmya,

dekking, salar

demonen, taub’kahrza

dennenwoud, la

dier, dha’e

dolfijn, dejfinya

donker, û’

doodsvijand, amagra,

doorn, âlêza

draak, dh’raza, krâ

drakenmagie, dâobra

drie, dwel

droom, fen,

druïde, (1) val lar, (2) diruyda

duif, yamaya,

duisternis, (1) uûna, (2) (vreeswekkend) ungra

dwerg, (1) borobori-noi, (mv.) –né (=kleine baardbrommer), (2) tenza gramorla (=steengraver),  (3) (hebzuchtig), var’tausna,

E

eend, eida

eenhoorn, (1) nanda,  (2) valdra

eeuwigheid, êona

egel, ëkayaô

eik, aigya

ekster, oâna

eland, elkya

elf, fey (enk.), -’e (mv.)

elfengeslacht, feyala

elfenkind (ongeboren), dhaofey’abha,

elfenster, (1) sadha, (2) shiâ

elfenvampier, feylamia

elfin, fae

everzwijn, morka

F

fauna, iama, ama

firnbeer (ijsbeer), grinborgra

firnelf(en), (1) grinfey (enk.), -’e (mv.), (2) firnya fey (enk.), -’e (mv.) (= elfen der ijskusten)

G

gaan, nea

gave, (i)ama, ama

gebied, (1) (geheimzinnig), wid, (2) ban

geheim, ara

geliefde, (i)ama, ama

geven, e

gewaad, a’sel(a),

gezel, iama, ama

glimworm, ‘shi

goblin, gobian

goed, (1) (i)ama, ama, (2) sa

golf, lir

gouden, gala

gras, bian

grasland (buitengewoon vruchtbaar aan de rivier), ouw, biunda

grasland (droog en heet), saviandra,

grasland (droog), diundya

grasland (open en onbeschermd), biundra

grasland (thuis~), bianda

grasland (wintergras), diundra

grauw, noj

graven, mor

griffioen, bha’brâ

groei, nurdra

groet, begroeting, sanya

H

haar, bian

haas, bianbhâ(î)

hagedis, diundaô

hagedismens, zara, isdagra (onuitsprekelijke)

halfelf, feytala

hallo, sanya

harmonie, iamanda

harpij, a’ravije

havik, veija

hazeldraak, morrowinza

heling, sama

helper, bai

hemel, wa, va, ua

herinneren, a’bâo

holendraak, dhakrâ(o)

honingbij im-ma, -me

hoogwoud, la’e

hoorn, akâ

hoorndraak, vainkrâ(o)

horzel, imse

I

ijs (zuiver, scherp), fir’ka

ijsbodem, fir’ye

ijssteppe, firndra

ivoor, mammutoon

J

ja, aî (gebaar: lachen)

K

kampplaats, lyn

karen, akaje

katoen, (1) (onbewerkt) bianbalve , (2) (bewerkt) tyl

keizerdraak, (1) gala dh’raza, (2) dhakrâ’gala

kennis (vreemde), uyda, uida

kever, iaô, iaê

kikker, awâ

kind , gwen

klank, sandra

klimop, fey

kloof, canyon

kobold, i’mandla

koekoek, a’lamja

konijn, bianbhâ(î)

kraanvogel, adôawa

kreupelhout, dwelya

krijg(st)er), thar(a)

kust van de ijszee, firnya

kviladder, sisza

kvirasim, quillyana

L

late winterzon, shaê

leeuwentong (= geneeskrachtige plant), tarnele

lente, nurda

leraar, iama, ama

levenskracht, nurdra

levenskracht, sikaryan

levensweg, na, nha

libel, a’shiana

lichtelf, shi

lichtsteen, gwen petryl

lichtwereld, shiâ

liedtoverij, dhamandra-mha

linde, lindya

lot, iama, ama

lot, kahrjanda

lotus, man’dala

lynx, zejya

M

maan, mada (oerwoord)

magie (elfs, harmonieus), mandra

magie (voor elfen onverklaarbaar), taubra

magie (weerzinwekkende), zertaubraza

mammoet, mamodhau

marter, vayselja

meeuw, alwyn

mens (algemeen), telor, (mv.)–é

mens (vredelievend), tala, (mv.)–ri

met, ia

meteoor, shi’ouya

mier, amaya

moeder, ya’nurti

moerasrants (aapachtig creatuur), dengrâ

monster, khar

mooi, ao

muis, duila

muziekinstrument, iama, ama

N

naamloze god, dhaza

nacht, una

nachtegaal, u’njama

nachtwind (=soort uil), fôza

natuur, iama, ama

neen, ar (gebaar: tanden ontbloten)

negenogenmeer, pandlarin

negenoog (=vissensoort), ryldô, ryldê

nest, êi

netelslang, sisra

neus, da

nevel, nuya

O

oeros, ur

oger, bhâogra, bha’gra

onmens, feygra

onrecht, eo’gra

onweer, rondara

ooievaar, adôbha

open plek (in het woud), dene

opener, varra

oppervalk, ‘(y)e

ork, fialgra (wildpels)

oudelfs, asdharia

ouwelf(en), (1) biunfey (enk.), -’e (mv.), (2) bianda fey (enk.), ‘e (mv.)

overval, kai

P

paard, rhiana

pad, dena’(o)

pels (waardeloos), fial

plan, mha

plannen, a’mâo

plant, -le

poort, dioy

(ver)weren, van

R

raaf, oâ

rat dwila

rechtvaardigheidsgevoel, éo, èo

ree, lairja

regen, oja, oha

reiger, adodirja

reus, nurdagra

reuzendraak, dhakrâ’yo twel

reuzenhorzel, imsre

richting, win, wyn

rivier (breed, eerder vlak), awa

rivier (breed, maar vlak), aha

rivier (geheimzinnig), ril

rivier, thil

rivierbedding, aoha

rivieroever, alwa

rob, mamya

robbendoder (wapen), mamra

ruilen, lamia

S

sabeltandtijger, rao’ra

salamander, dendaô

salamanderstenen, sala mandra

schalmei, shalla’may

schat, tausna

schildpad, tensaya

schutter, yar(a)

sibbengemeenschap, feysalanur

slaap (vermoeidheid), lu

slang, sis

slenk, canyon

sluipen, ia’bha

sneeuwloerder (=magisch creatuur), nargrâ

sneeuwstorm, bha’izar

snel, sila

specht, laka

spreken, matzy

springen, (i)a’

staart, wô

stad, tie

steekmug, isjari

steen, ten

steppenelfen, vindha’a (mv.), diundafey (enk.), -’e (mv.) (=kinderen van de wind)

steppenhond, diungo

steppenrund, urgra

ster, shiya

stommiteit, êoza

stralend, shiânna

T

tijd, aha, a(l)wa

tijdloos,  alwarania

toevlucht, ianna

toverteken,  lyrankh

tranen, ouha

trol, nurka

twee, iama, ama

twijg, elah

U

uil, ûhui, ‘hui (Garetisch: oehoe)

V

valk, ku’ri

vangen, klaô

varen, faern

vernietiging, zerza

vernietiging, zerza’jah

verstand, bha,

verstenen, ten’o

verstopplaats in het woud, lao’bha

verzamelaar, b(h)al

vesting (gebouwd uit steen), dur

vesting (gegroeid), dir, dyr

vijand, feyra, za, ra

vis, yo

vlakte, dra, dya

vlakte-elf, (1) biunfey (enk.), -’e (mv.), (2) bianda fey (enk.), ‘e (mv.)

vlam, flanathil

vleermuis, unya

vlees, da’o

vlinder, a’dala

voor, aya

vorstdraak, firkrâ

vos, bhaselya

vreemd, fiala

vreemdeling, tuêl, twel

vriend(in), (i)ama, ama

vriend der dwergen, boroborinojama

vriend der elfen, feya

vriend der elfen, feyiama

vriendschap, (i)ama, ama

vrijheid, dhâom

vrucht, dhê, ille

vuur, ha, haza

W

waarneming, bha’i

walnotenboom, vila

wapen, thar(a)

wateroppervlak, awa’e

weerwolf, latala’jah

weg, no

weide, da

wereldordening, oerwoord, kha

werpspeer der steppenelfen, akaiya

wesp, imse,

wilde ezel, onagya

wilde gans, quäia

wilde kat, felja

winter, fir

wirselkruid (=geneeskrachtig kruid), bhalsamada

wit hert, laergya

woekering (aan oude of zieke bomen), keh’nurdro

woestijn, tenya

wolf (agressief) largra

wolf, vredelievend, lara

wolfsmes, larza

wolk, we, ve,

wolneushoorn, biundakâ(o)

wonde, ka,

woonboom, aiâ

woonplant, e’feu

worden, zullen, a’dao

wormen, mor’e

wortelstronk, gora

woud, hainja (geheimzinnig oerwoud), widir, (wildernis), lar (dicht woud), dir (open woud)

woudelf(en), (1) lairfey(a), (2) dhaofey (enk), -’e (mv.) (=elfen van het vanzelfsprekende zijn), (3) la fey (enk), -’e (mv.)

woudelfendialect, isadaria

woudent, twel’la

woudleeuw (hongerig), rongra

woudleeuw (normal) ronra

woudplant, del

woudspin, kla’gra, klaôgra

Y

Yaquir, yaquia

yeti, twel’fira

Z

zalm, salma

zangvogel, tâ(i),

zee (eerder geheimzinnig), lir, lyr

zeevis, ahayo

zekerheid, sala

zielsinstrument, (i)ama

zielskracht, mandra

zijde, mawr

zijn, dha, dha, dao

zilverleeuw, rao’râ

zilverwolf (aggressief), rolagra

zin, iama, ama

zomer, shalla

zon  (stralend), sha

zorgenlied, soahin’iama

zuster, (i)ama

zwaan, swanja

 

 

Enkele elfse zinnen

–        Anin’asda isdira: We spreken isdira.

–        Sanyasala, feyiama: Ik heet je welkom/vaarwel, (elfen)vriend.

–        Sanyaza, fey(g)ra!: Wijk terug, vijand/onverlaat!

–        Sanya bha tala(r): Ik groet je (met voorzichtigheid), mens.

–        Feydha Vindariël: Ik (ben een elf en) heet Vindariël.

–        Sur feydha Ofrim Mawr Bian: Ook ik (ben een elf en) heet Ofrim Zijdehaar.

–        Taladha Alrik: Ik (ben een vriendelijke mens en) heet Alrik.

–        Nurd’dhao!: Voorspoedigheid met jou! (dankformule)

–        Eorla!: Zo zij het! (rituele bekrachtiging van een beslissing)

–        A’dao bhanda: Ik zal (erover) nadenken.

–        A’dao valva iama: Ik verander me in mijn zielsdier./ Ik zal sterven.

–        E kahrjanda a’dao fey sal’dhanra: Mijn lot is vervuld.

–        A’ndhin erin: Ik dank je/jullie.

–        Bha’iya!: Opgepast!

–        E nha’ha alwa, e nha’ha vin. E’dao nha’ha quäiâ: Je zoekt de weg van het water en de wind, je zal de weg van de wilde gans (in)gaan.

–        Fir’dao awa, awa’dao win, win’dao nurdra: IJs naar water, water naar wind, wind naar leven. (Inscriptie boven de ingangspoort van de Olportse magiërsschool)

 

 


Spreuknamen in het elfs

Elfse spreuken:

  • Abvenenum, reine  Speise:             bha’sama venya bha’za yalza
  • Adleraug Luchsenohr:                     a’dao biunda visya´eor
  • Adlerschwinge, Wolfsgestalt:          a’dao valva iama
  • Aeolitus Windgebraus:                    eo’la dao winya’bha
  • Armatrutz:                                       ama tharza
  • Axxeleratus blitzgeschwind:                       a’sela dhao biundawin
  • Balsam salabunde:                          bha’sama sala bian da´o
  • Band und Fessel:                             bhanda fialza dhaom´ra
  • Bannbaladin:                                   bian bha la da´in
  • Bärenruhe Winterschlaf:                 var fir’ye diungra ia’bha’ray
  • Blick aufs Wesen:                           dhao valva bha´fey
  • Blick in die Gedanken:                   i’bhanda dhara feya dendra
  • Blitz dich find:                                bha’iza dha feyra
  • Chamaelioni Mimikry:                    iama lamia mini’ray
  • Eiskälte Kämpferherz:                    firya ten dha’fey a’thar
  • Elfenstimme Flötenton:                   a’feyra feya, iama’fey dschis
  • Exposami Lebenskraft:                   dhao visya’my ama’e’ra
  • Falkenauge Meisterschuss:              iama yara sala’dha
  • Firnlauf:                                          ia’bha a’sela diundra fir’ye
  • Flim flam funkel:                            feya feiama i’ungra
  • Fulminictus Donnerkeil:                  fial minniza dao’ka
  • Gedankenbilder Elfenruf:               feya ama visya’ray
  • Haselbusch und Ginsterkraut:         la sala biunda sanya’ray
  • Hilfreiche Tatze, rettende Schwinge:           feiama diund saladir
  • Leib des Erzes:                                ia’bha a’sela zzethandra a’ten
  • Leib des Feuers:                              ia’bha a’sela savianda shir’ye
  • Leib des Windes:                            ia’bha a’sela diayga bara’e
  • Metamorpho Gletscherform:                       mandra mha firndra sha’ka
  • Movimento Dauerlauf:                    mhawin biunda dao’la
  • Nebelwand und Morgendunst:        feya val’ya na’biunda
  • Odem arcanum:                              uida mandra sanya’ray
  • Ruhe Körper, ruhe Geist:                raya dao, raya mandra
  • Seidenzunge Elfenwort:                  saya uida’za eo’gra e’fey var
  • Sensibar empathicus:                      sanya’bha vara la
  • Silentium Schweigekreis:                sala diun, sala dao’lir
  • Solidirid weg aus Licht:                   sala dir’dha e’fey bhanda
  • Somnigravis tiefer Schlaf:               samagra dao’sa sha e’fey
  • Spurlos trittlos:                                sa’biunda la, dha’ra la, fey’dha la
  • Standfest katzengleich:                   thara iama sala biunda
  • Tiergedanken                                  dha’sanya fiala valva
  • Unitatio Geistesbund:                      diun i’dao sala mandra
  • Verständigung stören:                     sanya taubraza
  • Visibili vanitar:                               visya’bha lir faenya’dha
  • Wasseratem:                                    i’dao awa biunda fey’la
  • Weiße Mähn’ und gold’ner Huf:     valva’sa mandra ya’dha fey
  • Wellenlauf:                                     a’bha a’sela biunda awa’e
  • Windstille:                                       rongra sala bian’dao
  • Wipfellauf:                                     ia’bha a’sela lala a’lee

 

 

Spreuken uit andere disciplines:

  • Attributo (lichaamskracht):             feya dhao dra’maht
  • Attributo (moed):                            var mini’dha, eorla sala’ray
  • Attributo (vingervaardigheid):         feya biunda win’sha dao
  • Beherrschung brechen:                   bha’dao taubraza
  • Bewegung stören:                            win’dha taubraza
  • Hellsicht trüben:                              dha’visya taubraza
  • Sanftmut:                                        valva iama
  • Schadenszauber bannen:                 thar taubraza
  • Tiere besprechen:                            valva sala
  • Verwandlung beenden:                   fey’dha taubraza

 


Elfse geschiedenis

Opmerking vooraf:

De hieronder beschreven geschiedenis der elfen is zoals ze hier geschetst is noch bekend bij de Avontu­rijnse geleerden, nóch bij de elfen zelf! Het laat hoogstens beschrijven wat een zeer oude en ervaren legen­denzanger zou kunnen weten. Dit gedeelte is dan ook eigenlijk meesterinformatie en het enig doel voor een elfenspeler is dan ook om duidelijk te maken dat ten eerste elfen niet van deze wereld zijn, ten tweede elfen relicten zijn uit een vergane hoog­cultuur en dat ten derde hun tijdperk voorbij is, zodat het aan de mensheid is om het pas begonnen nieuwe tijdperk in te luiden en te gaan beheersen.

 

“Licht werd door zijn vervangen,…”:

De geschiedenis der elfen begint in een zeer ver verleden, verborgen in de nevelen der vergeten tijden. Men zou zelfs kunnen zeggen dat ze naast de tijd is ontstaan, want de elfen stammen zelfs niet van de Daeraanse [1] wereld. Volgens oeroude sagen zouden de elfen van de Lichtwereld, ook “het Grote Licht” genaamd, afstammen. Deze wereld zou zelfs nog ouder kunnen zijn dan de zeven sferen [2] en zou vervuld zijn van een ongelooflijke zuivere (astrale) kracht.

Waarom de lichtelfen de stap uit het licht hebben gezet in de realiteit, is volledig onbekend en wordt ook niet vermeld in de oudste elfenliederen. Vermoedelijk werden vele lichtwezens aangetrokken door de verleiding om zelf de werkelijkheid te scheppen of om zelf ‘werkelijk’ te worden. De plaats waar de lichtwezens in de werkelijkheid traden is nu nog steeds een uiterst magische plaats, ver van elke beschaving en wordt “sala mandra” genoemd. In de mensentaal wordt dit het Salamandergesteente of het Salamanderwoud, gelegen in het noorden van het continent Avonturië.

Zonder kennis van de begrippen ruimte en tijd, leven en sterven, waren de lichtwezens aan de stromen van de werkelijkheid uitgeleverd, zonder zich daarvan bewust te zijn en begonnen hierdoor hun oorspronkelijkheid te verliezen. De lichtwezens volgden deze nieuwe kracht die ze bij zich voelden en de eerste ‘fey’ werden geboren (Licht werd vervangen door zijn,…). De eerste lichtelfen, die vermoedelijk uit pure, lichtende arcane kracht (het mandra) bestonden, volbrachten hun magie waarschijnlijk d.m.v. vrijtoverij (zonder gebruik van spreuken, gebaren e.d., maar puur door gedachte) en middels toverdromen. Wanneer het contact met de wereld groter werd, zongen ze ook machtige toverliederen. Door de connectie met de werkelijkheid leerden de lichtelfen in hun complexe waarneming meer en meer van de wereld en namen ook de principes waar van ontstaan en vernieuwing (nurdra) en vergankelijkheid (zerza).

Zo kwamen ook de lichtelfen in aanraking met de duistere praktijken en intriges van de Naamloze [3] en begonnen zich meer te verspreiden. Zo ontstonden de eerste hoogelfen die zich verder van hun oorspronkelijkheid verwijderden, het ‘badoc’ worden.

Afgeschrikt door het badoc gingen vele lichtelfen in het licht terug of trokken zich uit de werkelijkheid terug zonder volledig uit haar te verdwijnen. Deze laatsten werden de mysterieuze ‘oude elfen’, voorouders van de huidige woudelfen.

 

“ …en zijn door worden…”:

Eeuwigheden en tijdperken later werden de wouden van Sala Mandra ook door andere volkeren ontdekt, orken, goblins en zelfs trollen stootten op hun grenzen.

Rond deze periode, het begin van het elfde tijdperk, zo’n tienduizend jaar geleden, trad de elf Simia volledig in de werkelijkheid. Hij vond dat om zich te kunnen handhaven de elfen zich verder moesten verspreiden. Er werden daarom aan de grenzen wachtposten en nederzettingen opgericht. Enkele honderden elfen werden tienduizenden, die de gebieden rond de Salamanderstenen koloniseerden en meer en meer aan de werkelijkheid vervielen.

Deze millennia waren een tijd van strijd tegen orken, goblins, trollen en andere woeste creaturen die heden ten dage zelfs vergeten zijn. Ze hadden hun hoogtepunt zo’n 8600 jaar geleden (7600 v BV [4]). Of er ook reeds contacten waren met de tevens in teruggetrokkenheid levende dwergen, die ook ontstaan waren bij het begin van het elfde tijdperk, is niet bekend. Wel wordt er gezegd dat zowel de elfen als de dwergen reeds schermutselingen uitvochten met de ‘onuitsprekelijken’, de hagedismensen onder de leiding van de goddelijke draak Pyrdacor. Dat dit voor de dwergen zo was, is alleszins aanne­melijker dan dat ook de elfen met de hagedissigen in aanraking kwamen, want hun grenzen lagen ver uit elkaar.

Het gevolg was alleszins dat de elfen de rond het Salamanderketen liggende vlaktes stevig in hun greep hadden. Desondanks hadden ze geen gemeenschappelijk koninkrijk, maar leefden in kleine neder­zettingen of kleinere rijken. Hun gemeenschappelijkheid was de elf Simia die blijkbaar over iedereen uitstraalde! Door sommigen wordt hij als de laatste der lichtelfen beschouwd, door anderen als de eerste der hoogelfen. (…en zijn door worden…)

 

“…en worden door kennis…”:

De oude elfen in de gebieden rond het Salamanderwoud noemden zich vanaf nu “Hoge Elfen” en volbrachten in de daaropvolgende eeuwen en millennia uitzonderlijke prestaties op magisch, ambachtelijk en wetenschappelijk gebied. Zo zou Simia bijv. het wiel en de pottenbakkerschijf hebben uitgevonden en de elfen geleerd hebben hoe ze vliegende schepen dienden te bouwen.

De oude elfen in het Salamandergesteente volgden deze ontwikkelingen met argusogen en braken ongeveer 8500 jaar geleden de contacten met het rijk van ‘hoogkoning’ Simia af, omdat ze voelden hoe erg het badoc reeds greep verkreeg op de elfen.

Terwijl de angroschim [5] verstrikt zaten in de oorlog tegen Pyrdacors draken in de slag van het Hemels­vuur (rond 7200 v BV) werden ook de grensstations en wachtposten der elfen voortdurend bedreigd door trollen, orken, goblins, ogers en naamloze creaturen, waartegen weinig bestand was. Als circa 8000 jaar geleden een grote veldslag plaats vond, scheidden de elfen uit het diepe woud der Salaman­derstenen  zich definitief af van de hoogelfen en hun opbloeiende rijken.

Rond 5500 v BV (ruwweg 6600 jaar geleden) waren de elfenlanden enorm geëxpandeerd richting westen, tot aan de bergketen ‘het IJzeren Zwaard’. Ze verdreven de goblins richting ‘Taubria’, het latere Middenrijkse Tobrië en waarschijnlijk lukte het hen zelfs om tot in Reusland te geraken. Hoe is echter onbekend.

Alleszins moeten elfen en dwergen in die tijd handelspartners geweest zijn, aldus de overlevering, want de schatkamers van Xorlosch bevatten oeroude pijlpunten en de elfen kennen liederen over het goud en de edelstenen der dwergen.

Weinig is geweten over de daaropvolgende periode, het “Grote Gevecht” genaamd. De Naamloze zelf wilde de elfen vernietigen en het hart van het Salamanderwoud veroveren, waarop scharen monsterlijke creaturen vanuit het noorden en oosten de elfse landen overspoelden zodat zelfs enkele lichtelfen zich gedwongen zagen zich te mengen in deze strijd. Deze strijd had de elfenlanden op hun grondvesten doen daveren, maar niet vernietigd, in tegendeel.  (…en worden door kennis…)

 

“…en kennis door macht…”:

Ruwweg 5800 jaar geleden (4800 v BV) begonnen de elfen immers het machtigste volk van Avonturië te worden. (…en uit kennis ontstond macht…) De hoogelfen werden de volleerde meesters der spreukmagie. De liederenmagie raakte in verval en mechanische meesterwerken zoals vliegende schepen en zonnetorens werden gecreëerd. Ze begonnen de grenzen van hun kunnen te exploreren en overschreden deze telkenmale.

De hoogelfen verspreidden zich verder naar het zuiden en verdreven er de woudenten der huidige Middellanden. Zo stootten ze op de grenzen van Pyrdacors Achazrijk [6]. Hij imponeerde hen met zijn nagenoeg onuitputtelijke elementale macht en zagen daardoor in hem een bovenmachtige entiteit.

Vermoedelijk deelde Pyrdacor zijn macht met de hoogelfen, verbonden echter aan de opdracht om plaatsen van elementale macht te scheppen waarin de ‘sleutels der elementen’ zouden kunnen bewaard worden, met als gevolg de bouw van de grootste en prachtigste steden (Simyala, Tie’Shianna,…), mani­festaties van de Daeraanse macht der hoogelfen.

Er werden handelsbetrekkingen opgebouwd met de nivezen, de dwergen en zelfs met de hagedissigen. Vele sibben vestigden zich in Tobrië, verdreven de orks in bloedige oorlogen in het dal van de Grote Stroom (het huidige Albernia, dat zijn naam aan de elfen dankt) en expedities tot in Reusland en Guldenland werden gestart.

Tegelijkertijd schiep Pyrdacor elementaal-magisch bezielde ertscreaturen om de dwergen te kunnen onderwerpen. Pas als de geode [7] Brandan Zoon van Brodosch bij benadering 5500 jaar geleden de berggrotten verlaat en erin slaagt om de elementale sleutel van het erts uit Tie’Shianna te stelen en een pact aan te gaan met de elementale heer van het erts, kan hij de elementale macht van Pyrdacor breken en wordt de strijd in het voordeel der dwergen beslecht. Uiteindelijk komt het tot een wapenstilstand tussen de dwergen en Pyrdacor. Het verlies van de sleutel van het erts door de elfen van Tie’Shianna was voor de hoogelfen echter het begin van de ondergang van hun hoogcultuur.

Ook tegenwoordig kan men niet verklaren waarom de cultus van de Gulden Draak in Tie’Shianna zo snel opbloeide en ook door de andere steden snel werd overgenomen. Het geloof aan Pyrdacor als god beïnvloedde ook de mythische hoogkoning Simia, alsook de principes ‘nurdra’ en ‘zerza’. Nurti werd vanaf nu de wereldmoeder, schepster van alle andere goden, Zerzal werd de lynxenhoofdige brengster van de dood, Pyr de heerser over magie en elementen en Simia gold als jongste zoon van Nurti. De vijandschap tussen elfen en dwergen is vermoedelijk terug te voeren tot deze tijd waarin Pyrdacor de hoogelfen misleidde. De blinde hoogkoningin Orima wordt later door de hoogelfen vergoddelijkt en als blinde lotsgodin, gemalin van Pyr aanbeden, voorgesteld met drinkhoorn en zwaard. [8]

 

“…en macht door hebzucht…”:

Om de hoogelfen beter te kunnen beïnvloeden, schiep Pyrdacor, naar het schijnt met de hulp van de verdwenen Orima, in de machtigste van de dertien ketels der oerkrachten, de elfin Pardona [9]. Ze was verheven boven zo ongeveer alle elfen qua bevalligheid en intelligentie. Ze verspreidde de Pyrcultus verder in zijn naam, voerde het bouwen van de zes elfensteden op die de sleutels der elementen moesten bewaren,  maar trachtte vooral de macht terug te winnen, die Pyrdacor verloren was over het element ijs, net zoals zijn heerschappij over het erts. Mandalaya werd gebouwd op een vulkanisch eiland in het Negenogenmeer, op het Yslimeer werd het marmerblauwe Isiriël gebouwd.

Alleszins had Pyrdacor zijn creatie niet meer volledig onder controle, want ze benutte haar macht om de hoogelfen aan te sporen tot het bouwen van de meest waanzinnige daden der hoogmoed, zoals de luchtstad Vayavinda, het verdorven Liretena of het blijkbaar in de Orkschedelsteppe gelegen bolwerk Darialya.

Rond 4100 v BV reisde de Tie’Shiannaische wetenschapper Ometheon met 700 elfen naar het hoge noorden, 600 mijlen noordelijk van Yetiland en richtte er, geïnspireerd door Pyrdacor en zijn gezante Pyrdona, de gigantische Hemelstoren op. Hij ontwikkelde er de thesis dat goden slechts bestaan omdat men aan hen gelooft. In zijn vermetelheid ging hij nog een stap verder en durfde te beweren dat elke elf door geloof aan zichzelf en zijn vaardigheden de goddelijke vonk in zich kan opwekken en uiteindelijk gelijkwaardig kan worden met de goden. [10]

Pyrdacor stuurde Pyrdona naar de hemelstoren om Ometheon, die zich zelf wilde vergoddelijken, een lesje te leren. Veraf echter in het noordelijke ijs waar de goddelijke draak geen macht over had, streefde Pardona niet naar een uitbreiding van Pyrdakors macht, maar wel naar de verhoging van haar eigen macht en status. Snel klom ze op tot opperpriesteres in de door haarzelf gecreëerde ‘cultus van de lichtende geest’, zodat ze zichzelf i.p.v. de om de tuin geleide Ometheon tot godin kon uitroepen. Doch alhoewel vele elfen vielen voor het goddelijke charisma van Bhardona, zagen de wijzen der elfen de dreigende ondergang van de Hemelstoren en sloten Ometheon en Pardona op. Zij vermoordde echter Ometheon en stortte de bewoners van de Hemelstoren in totale, vernietigende chaos. Een deel der elfen vluchtte zuidwaarts in ijszeilers, achtervolgd door Pardona en haar gevolg. Aan de noord-Avonturijnse kust kwam het tot een bloedig gevecht dat bijna door Pardona gewonnen was geweest, ware het niet dat Pyrdacor zelf ingreep tegen zijn voormalige, gecreëerde afgezante. Ze vluchtte terug naar het noorden, waar Pyrdacor haar niet kon stoppen vanwege zijn verloren macht over het ijs.

De overlevenden vestigden zich aan de ijskoude en winderige noordelijke kust- en bergstreek, zwoeren alle goden af en zochten hun heil in de gemeenschap, de sibbe. Uit hen zouden dan gedurende de daaropvolgende millennia de firnelfen ontstaan.

De drie elfen uit de raad der wijzen die Tie’Shianna konden bereiken, brachten er verslag uit en sindsdien geldt Pardona als eeuwige vijandin der elfen; een product van de oude elfengoden, geschapen om de nakomelingen van Ometheon, die te dicht bij het geheim van de goddelijkheid was gekomen, te stuiten.

De Hemelstoren werd het toevluchtsoord van Pardona en haar getrouwen. Van het idee bezeten pas de goddelijke status te kunnen verkrijgen indien ze zelf leven kon scheppen, creëerde ze met demonische hulp o.a. de ijsegels, de gletsjerdraken, de nacht- of duisterelfen, mengwezens ontstaan uit hoogelfen en demonen. Het einde van Hemelstoren luidde ook het einde in van de andere hoogelfensteden.

Vrediger dan de andere steden legden de elfen van Mandalya omstreeks 3600 v BV zich neer in een diepe slaap om terug dichter bij hun oorsprong in de droom te kunnen geraken.

De bewoners van Simyala waren echter ook ten prooi gevallen aan de verdorven invloed van Pardona. De hoogelfen van deze stad, gelegen in het grootste woud van Avonturië op dat ogenblik, waanden zich veilig in hun hooggelegen boombouwsels. Zelf als het duidelijk werd dat enkele hoogelfen de Naamloze aanbaden, lachten ze dit weg. Als kroon op haar demonologische en chimaerische experi­menten schiep Pardona om en nabij 4000 jaar geleden een creatuur dat in de sagen en legenden van zowel elfen als mensen de “basiliskenkoning” wordt vernoemd. Dankzij dit creatuur viel de oudste en levendigste der elementale steden en de elfen stierven vanwege de aanblik en de stank van dit creatuur opgeroepen uit de diepste hellekrochten. Doch Pardona maakte een fout bij de aanroeping en het ritueel liep uit de hand, zodat een veelgehoornde demon van de demonensultan zelf haar ontvoerde naar de nederhelse zielenmolen. Ondanks het verdwijnen van hun godin verspreidden de nachtelfen zich tot in Guldenland, waar ze omtrent 3500 jaar geleden o.a. op de Hjaldingers stuitten die hen in hun liederen omschreven als een stam van grote, bleekhuidige tovenaars m

met spitsoren.

De basiliskenkoning werd pas twee millennia later door de menselijke held Geron verslagen met zes slagen van het zwaard Zevenslag.

Ook in Tie’Shianna waren de hoogelfen vergiftigd door grootheidswaanzin en afgunst. Pas rond 2400 v BV waagde de reuzin Chalwen het de hoogelfen te waarschuwen dat het grote orakel gesproken had dat de hoogelfen met hun valse goden op paden gingen die niet door Los [1] gewild waren. Pyrdacor echter ontketende een elementale oorlog tegen de reuzin die de grondvesten van Daera deden schudden. Het eiland Maraskan werd van het vasteland afgescheurd en de troon van Chalwen zonk in de zee die heden ten dage de Golf van Perricum heet.

(…en macht door hebzucht…)

 

“…en hebzucht door zelfbedrog en dood…”:

Uiteindelijk vonden zelfs de goden dat het nu genoeg was, vermits de Gulden Draak de wereldorde verstoorde. Onder leiding van de Hoge Draak Famerlor brak omstreeks 2300 v BV de Tweede Draken­oorlog uit, die in de volgende eeuwen het continent verwoestte.

Omdat Pyrdacor inferieur was aan Famerlor riep hij nu zelf de hulp in van de Naamloze, wiens legers en afgezanten van reuzen, ogers, trollen dwergen, mensen en nachtalben de krijgsmacht van Famerlor vooreerst overwinnen kon. De band tussen de twee was echter een vergiftigd geschenk, want de verstoten god zonder naam zaaide ook twist en tweedracht onder de bondgenoten en dienaars van Pyrdacor.

Rond 2250 v BV weerde een 12000-koppig leger van hoogelfen, enkele woudelfen, nivezen en firnelfen zich tegen een naamloze krijgsmacht onder leiding van de nachtelfen, die met demonische hulp de hoogelfen overspoelde en dood en vernieling zaaide. Slechts een weinig elfen slaagden erin te vluchten. De woudelfen trokken zich verder terug in de wouden en stelden boogschutters als wachters op. Het continent verzonk in diepe duisternis.

De hoogelfenstad Isiriël werd rond 2250 v BV door een zeebeving en een geweldige vloedgolf vernield en in de diepte gesleurd.

Ongeveer rond 2200 v BV werd Tie’Shianna enkele decennia belegerd, eerst door de hagedissigen, dan door de legers der Naamloze, met in hun rangen dwergen, ferkinas, trollen, ogers en purperdraken. Wanneer de stad uiteindelijk in een hagel van gloeiende stenen en blauwe flitsen onder ging, vluchtten de als laatste achtergebleven hoogelfen met hun vliegende toverschepen of door geheime sferentunnels naar de ‘Eilanden in de nevel’. De hoogkoning Fenvariën werd door de chaoshorden gevangen genomen en naar de noordelijke wildernis versast. Tie’Shianna werd onder het zand der vergetelheid begraven en slechts enkele elfen (de ‘shiannafeya’), de latere woestijnelfen, beleven als wachters terug.

Vanwege de ondergang van hun laatste stad werden de hoogelfen uitgezaaid over alle windstreken. De Drakenoorlog zou evenwel nog een eeuw verder woedden. Pas bij benadering 3000 jaar geleden eindigde deze titanenstrijd die een nieuw tijdperk inluidde met de overwinning op Pyrdacor, waarbij het hagedissenrijk Zze Tha voor het grootste deel van de wereld werd weggerukt zodat de Khomwoestijn overbleef. (…en hebzucht door zelfbedrog en dood.)

Rond deze periode ontsnapte ook Pardona uit haar demonische gevangenis, dankzij de hulp van de Naamloze en is sindsdien met hem door een pact verbonden. Omdat bij haar terugkeer zowel Pyrdacor als de elfensteden verdwenen waren, verbleef ze in Guldenland aan het hoofd van haar nachtalben om daar met haar verderfelijke invloed volkeren te corrumperen. Zo’n duizend jaar geleden keerde ze terug naar haar onderzeese (of beter onderijse) vesting in het eeuwige ijs en creëerde verder nog allerhande (half)demonische creaturen.

 

De elfenvolken in contact met de mensen:

Na de ondergang van de hoogelfenrijken moesten de overlevende elfen een onderkomen zoeken in de verstoorde wereld na de Tweede Drakenoorlog. Ze hadden de werkelijkheid onderworpen en deze had teruggeslagen met ongelooflijke hardheid. Velen onder hen vonden in de koude werkelijkheid waarin lijden, honger en verwoesting heersten, de dood. Enkelen zochten bescherming bij hun bijna vergeten verwanten in de wildernis van het Salamandergesteente zodat ze zich afwendden van de hoge magie, de wetenschap en het leven in de steden. Zo begonnen ze een nieuw leven in de drassige vlaktes en wouden in het noorden van het continent. Op die manier werden echter de woudelfen ook met de spreukmagie der hoogelfen geconfronteerd en ontstonden de huidige woud-, steppe- en ouwelfen, die begonnen te leven op de manier zoals we ze nu kennen.

Tussen 3000 en 2000 jaar geleden vestigden zich opnieuw elfen in Albernia, Garethië en Bornland en verjoegen de orken aldaar. Het contact met mensen bleef beperkt tot sporadische ontmoetingen met nivezen.

De eerste Guldenlanders, de Hjaldingers landden in 1626 v BV in Olaport, het huidige Olport. Ongeveer 150 jaar later in 1482 v BV landde een schip met Canteraanse Guldenlanders aan de monding van de Yaquir. De contacten tussen elfen en Hjaldingers verliepen zeer moeizaam, maar in Olport sloten drie Hjaldingse runentovenaars uiteindelijk een mythisch verbond met de “alben” of “alfen” zoals zij hen noemden, dat tot het ontstaan leidde van de Hal van de Wind, een der oudste magiërs­scholen van het continent. In deze academie leerden de elfen de mensen de respectvolle omgang met de magie van het water, het ijs en de wind.

Ook de ouwelfse spoorzoekers hadden intussen de mensen die geland waren en het land langzaam verkenden, ontdekt. Omdat de elfen zich echter niet lieten zien, duurde het echter nog grofweg 600 jaar vooraleer de expeditie van admiraal Sanin de Oudere een contact onontkoombaar maakte. In de volgende tijden verliepen de contacten tussen mensen en elfen vredelievend, temeer de orken een gemeenschappelijke vijand waren.

 

Tijden van oorlog en vrede:

Rond 870 v BV echter stuitten de elfen op dwergen en mensen aan de Yaquir en de Grote Stroom, met schermutselingen tot gevolg, vanwege de houtkap van beide volkeren. Deze schermutselingen leidden zo’n 1300 jaar geleden tot de elfenoorlogen. Bij deze gevechten kwamen echter weinig personen om, maar ze waren wel de basis voor verder onbegrip dat nu nog soms tussen deze volkeren levendig is.

De orken gebruikten deze afleiding om aan de noordelijke grenzen van het Bosparaanse Rijk der mensen binnen te dringen. Ze konden uiteindelijk gestopt worden, maar konden enkele eeuwen Greifenfurt (Griffioenvoorde) en omgeving in handen houden. Uiteindelijk kon een leger van mensen, 500 dwergen en 200 gedeeltelijk bereden elfen in de slag van Saljeth de zwartpelsen [2] terugdringen. Na de overwinning werd tussen de drie volken het Saljethpact gesloten, dat wederzijdse rechten en plichten (o.a. houtkap) regelde.

Nog geen 1050 jaar geleden konden dan de orken uit de noordelijke provincies van het Bosparaanse rijk en de elfenlanden verdreven worden door elfen en mensen. Net iets meer dan 20 jaar daarna werd het ‘Trallops Verdrag over de onaantastbaarheid van het elfenrijk’ gesloten. Dit verdrag regelde o.a. de rechtmatige positie van de elfen in de menselijke landen. Ook een gemeenschappelijke nederzetting werd opgericht aan de grenzen, de stad Uhdenberg was een handelsstation waar zowel menselijke als elfse avonturiers elkaar ontmoetten.

In de daaropvolgende eeuwen is door de mensen weinig bekend over de elfen. De vlakte-elfen voerden strijd met de snel kwekende goblins waartegen zelfs de hoogelfen geen permanente oorlog wilden voeren vanwege hun grote aantal.

Ongeveer 700 jaar geleden (335 BV) kwamen de Priesterkeizers door moord aan de macht en voerden strijd tegen andersdenkenden en magiegebruikers die volgens hen ongeoorloofd magie benutten. Hieronder vielen niet alleen heksen en druïden, maar evenzeer elfen. Vele mensen vluchtten voor de inquisitie van de Priesterkeizers in de elfse gebieden, zodat opnieuw bij de elfensibbes de vraag rees hoe ze met de mensen moesten omgaan, die soms toelating kregen zich te vestigen. Tot op heden zijn die mensen amper bewust hoever zij stonden van verdrijving of zelfs dood in de elfenwouden.

Pas nadat de Priesterkeizers door de aartsmagiër Rohal de Wijze verdreven werden in 466 BV verbeterde het contact terug tussen mensen en elfen. Rohal zocht bewust de elfen op die hem als een hoger wezen zagen, dat de werkelijkheid aanvaardde en niet probeerde te vormen zoals de hoogelfen het ooit deden. De Rohalstijd bracht veel elfse elementen in de menselijke cultuur, zoals elfse muziek, ornamentiek, bouwkunst en natuurlijk magie. In Donnerbach (Donderbeek) richtte Rohal het ‘Seminarie der Elfse Communicatie en Natuurlijke Heling’ op, een magieschool waarin elfen en mensen elkaar konden verrijken.

Doch de machtige, maar machtgeile aartsmagiër Borbarad kwam roet in het eten strooien en perver­teerde de wereld zo zeer met zijn demonische boosaardigheden dat Rohal een leger, waarin ook elfen meevochten, uitrustte om hem te verslaan. In de slag in de Gorische Woestijn werd Borbarad in de Limbus verbannen en verdween Rohal eveneens, waardoor schermutselingen ontstonden tussen verschillende groeperingen die zich als nazaten van Rohal naar voor schoven om zijn magische kennis te kunnen bezitten. Ook in deze gevechten mengden zich enkele ouwelfenstammen.

Aan de zuidrand van de Salamanderstenen moesten de woudelfen zich dan weer fel verweren tegen de orken die na deze Magiërsoorlogen hun kans zagen om de verzwakte noordelijke provincies weer binnen te vallen. Opnieuw werd aan enkele menselijke vluchtelingen toegestaan zich te vestigen in de wouden bij de elfen. Doch als deze elfen onder invloed van de mensen demonische of naamloze crea­turen begonnen te aanbidden, vernietigde een reuzendraak rond 600 BV de nederzetting, waarbij twee woudelfensibbes naar Orkland vluchtten.

 

De nieuwe tijd:

In het jaar 611 BV werd met toestemming van de elfen de mijnstad Thunata opgericht, waar door mensen koper en zilver werd ontgonnen. De verstandhouding tussen elfen en mensen was er goed, maar vermits de mijnen snel uitgeput waren, bleven er weinig kolonisten wonen.

In 623 werd de ‘School van de Directe Weg’ te Gerasim opgericht. Deze magische academie had als doel de verstandhouding tussen elfen en mensen (nog meer) te verbeteren.

Doch niet altijd verliep alles zo positief. Meer dan eens werden (en worden nog steeds) in de noordelijke provincie Weiden elfen als vermeende geesten, (vee)dieven e.d. overvallen en opgeknoopt.

Een koppel eeuwen later werd het dorpje Thunata geterroriseerd door een elfenvampier, een maaksel van Pardona dat slechts met de hulp van de vertoornde godin Travia kon verdreven worden.

Als in 1005 in de Oblomonrivier goud werd ontdekt, kwamen fortuinzoekers van heinde en ver hun geluk zoeken. De elfen die hier een handelspost met de norbarden onderhielden, werden erdoor overrompeld. Sommigen trokken weg, maar anderen die zich probeerden aan te passen aan de nieuwe omstandigheden konden zich niet ontrekken aan de hebzucht die het mensenras met zich meedraagt en vielen ten slotte ten prooi aan het badoc.

Van 1007 tot 1008 BV voerde de beroemde Thorwaalse Kapitein Asleif Phileasson, bijgenaamd ‘Foggwulf’ een expeditie aan die hem doorheen en rond het hele continent leidt, hierbij stootte hij op de vergeten legendarische nalatenschap der elfen, de Hemelstoren, de woestijnelfen, de eilanden in de nevel, … Ook Pardona duikt vanaf dan terug op en probeert haar invloed over Avonturië terug te vergroten.

In de volgende jaren nemen enkele elfen deel aan verschillende schermutselingen en veldslagen, al dan niet samen met de mensen om de orken die het Sveltdal veroverd hebben, te verjagen. De orken kunnen met grote moeite voor de zoveelste maal verdreven worden uit de noordelijke provincies, maar de Sveltse Stedenbond blijft tot op heden veroverd en moet zwaar tribuut leveren aan de zwartpelsen.

De elfen zijn de eersten die de hernieuwde terugkeer van Borbarad ervaren. Vanaf 1010 BV dromen zij van de ‘vara dioy’ (de ‘opener der poorten’, ‘diegene die wederkeert’, ‘diegene die het licht verdringt’). Ook nu probeert Pardona uit deze situatie voordeel voor zich te halen, maar zij is geen partij voor de almachtige aartsmagiër Borbarad, die in de derde demonenslag in 1021 BV met zijn leger door de verenigde krachten van elfen, mensen, dwergen, trollen en zelfs enkele orken uiteindelijk verslagen wordt.

Na 10000 jaar is het tijdperk der elfen (en dwergen) voorbij en begint het tijdperk der mensen. Hoe de beide volkeren uit het elfde tijdperk hiermee zullen omgaan, zal de toekomst uitwijzen.

 

Elfse pijlen

Maken elfen hun pijlen zelf?

Deze vraag is niet zo eenvoudig te beantwoorden en beslaat verscheidene onderdelen.

 

1) Uit ‘Aventurisches Arsenal’, p. 90: ‘Waffen der Elfen’ kunnen we extraheren dat de elfen zo goed als geen kennis hebben van de ertsbewerking en als ze het al doen ze hiervoor gebruiken maken van magie. Bovendien dateren hun gesmede voorwerpen van lang vervlogen tijden.

De vraag kan dan gesteld worden of ze zulke kostbare pijlpunten (magisch vervaardigd of nog overge­leverd uit het hoogelfse tijdperk) gaan meegeven aan iemand die de stam verlaat?

 

2) Een vertaling uit ‘Aventurisches Arsenal’, p. 46 in de kader:

Geïmproviseerde projectielen: zelfgemaakte pijlen halveren de reikwijdte van het wapen en veroor­zaken 1 TP minder (zonder gesmede punten worden de TP nogmaals met 2 gereduceerd)

 

3) ‘Aventurisches Arsenal’, p. 46 in de kader:

Pijlen moeten gemaakt worden voor het boogtype waar ze voor dienen.

Elfenpijlen zijn dus zeker moeilijk te vinden buiten het elfengebied. Indien je niet de juiste pijlen gebruikt, verlagen de TP naar de laagste van het boog- of pijltype dat je gebruikt. Bovendien verlaagt de reikwijdte en krijg je een verzwaring van 4 op je proef.

 

4) Opmerking: Een elfenboog is een persoonlijke boog, maar krijgt hiervan geen extra bonussen (meer TP doen of een ander voordeel). Bij een elfenboog zijn ál deze bonussen (TP, reikwijdte, Lk-bonus, …) reeds ingerekend omdat een elfenboog altijd een persoonlijke boog is als je hem vanuit je stam hebt meegebracht. (Niet als je die van iemand anders gebruikt uiteraard, maar welke elf leent nu zo maar ZIJN boog uit en dan nog aan een mens…?)

Dit kan je nalezen in “Mit Blitzende Klingen” p.65. Experte: Persönliche Fernwaffe; vertaling van de drie laatste regels: “We gaan ervan uit dat in elke elfenboog deze aanpassingen reeds voorhanden zijn; het is dus niet mogelijk een elfenboog nog eens te personaliseren.” Denk er ook aan dat een elfenboog ook meer schade doet op korte afstand; geen 2 maar 3 extra TP.

 

 

Om alles eens op een rijtje te zetten en op de vraag te antwoorden:

* De elfen maken hun pijlen zelf. Dit betekent niet dat elke elf pijlen kan maken. (Ook mensen maken hun pijlen zelf, -ze kopen ze niet van goblins of achaz of zo-, nochtans kan zeker niet elke mens pijlen maken.). Dat betekent wel dat er in de sibbe één of meerdere elfen zijn die pijlen kunnen maken (spel­technisch “het talent bogenbouw (pijlen)” heeft). Met veel magie en nog meer geluk is er in de sibbe ook iemand die d.m.v. magie ijzer uit het erts kan vormen en er dan nog pijlpunten van kan maken om ze op de pijlen te zetten. Vermoedelijk gebeurt dit in Salasandra (zie ‘Aventürischer Zauberer’ p. 32) De elfen die contact hebben met mensen, zullen ze niet steeds uit hun gebieden verdrijven door ze de handen af te schieten (J), maar ook allerlei ruilen, waaronder dus zeker ook wapens en dus ook pijlen of alleszins metalen pijlpunten. En misschien zijn er nog wel enkel pijlrelikwieën over uit het hoogelfse tijdperk.

 

* Elfen die geen metalen punten hebben, zullen vuurgeharde pijlpunten gebruiken (-2 TP) of (vuur-) stenen pijlpunten, alsook benen pijlpunten (zoals ook vele orken en anderen primitieve Avonturijnse bewoners gebruiken) (Deze 2 laatsten berokkenen evenveel schade maar breken gemakkelijker indien ze ingezet worden tegen metalen uitrustingen.)

 

Let wel, ook met een volledig houten pijl of een pijl met stenen of benen punt doet een elf met zijn boog nog steeds meer TP dan de gemiddelde mens met een gemiddelde boog. Het zit vooral in de boog -en  schietkunst- en niet in de pijlen. En bovendien kan men ook nog magie inzetten.

 

(Opmerking: Iedereen die wat van houtbewerking kan, kan overigens proberen om pijlen te maken, maar die zijn van behoorlijk mindere kwaliteit. (zie hiervoor MFF p. 53) )

 

Lena Falkenhagen over elfen

* Lena Falkenhagen is een redactielid van het DSA-team. Ze schreef o.a. de steengoede Simyalatrilogie die handelt over de wederontdekking van een der belangrijkste, voormalige hoogelfensteden en beslist tot de beste verhalen(reeks) van DSA behoort. Haar visie over elfen kan dus beslist relevant en inte­ressant genoemd worden.

 

* Lena Falkenhagen:

Elfen zijn niet mijn lievelingskarakters. Ik heb twee pogingen gedaan om elfen te spelen (een ouwelf en een firnelfin) en ik ben er telkenmale in mislukt om de juiste mix van naïviteit (wereldvreemdheid) en ingewijd zijn (in de geheimen van het leven), te vinden. Ook hier geldt weer: wat alledaags beleefd wordt, verliest aan mysterie. Elfen kenmerken zich m.i. niet door hun vaardigheid in boogschieten of door hun tovermacht, maar door de vreemdheid van hun denken. Dat in het spel te verwezenlijken,  houd ik voor één der grootste uitdagingen voor een rollenspeler (samen met de voorstelling van de Tsa­priester en zijn nogal -voor mensen- ontypische morele waarden).

Bovendien gaat de factische mystiek, die dit volk zou moeten omringen, niet goed samen met de alle­daagse voorstelling in het spel. Niemand kan immers mystiek-onaantastbaar zijn, net zo weinig als men een personage steeds overtuigend duister-bedreigend of superieur kan voorstellen. De dronken soldenier hoeft de duistere zwarte magiër slechts in de gelagzaal een paar muilperen te geven en het is voorbij met de nimbus der onaantastbaarheid.
Mystiek en onaantastbaar zouden elfen m.i. echter altijd moeten zijn en daarom zijn ze vooral geschikt als (spaarzaam ingezette) meesterfiguren. Deze nimbus probeer ik in mijn avonturen over te brengen want het zijn juist elfen die in Avonturïe (en in vele andere werelden) de fantasie bepalen, resp. versterken.

Ik wil hiermee overigens niet zeggen dat ik elfen principieel als onspeelbaar beschouw. Men zou ze echter vanwege de juiste redenen moeten spelen en niet vanwege de “kewl powerz”, die ze bezitten. Ik heb groot respect voor goed gespeelde elfenfiguren. Ik denk echter dat ze niet gemakkelijk en zeer vermoeiend zijn om te spelen. Zoiets kan men niet zomaar eventjes doen maar vordert arbeid. Arbeid vraagt echter elk grondig uitgewerkt personage.

 

 

* Vraag:

De DSA4-regels hebben de elfen het ‘elfse wereldbeeld’ in de schoenen geschoven, hetgeen veel -nog steeds durende- discussies heeft teweeggebracht. Leunt dit idee van het elfse wereldbeeld aan bij zijn Vulkaanse verwant (Mr. Spock) of vanwaar stamt deze beperking? Wie heeft ze bedacht en wat waren de redenen hiervoor?
* Antwoord van Lena Falkenhagen:

Het elfse wereldbeeld is slechts een geloofsvraag. Elfen dreigen bovenmenselijke personages te worden. Ze kunnen vechten,  ze kunnen toveren en principieel kunnen ze alles beter dan de mensen (als men de meeste elfenvoorstellingen gelooft). Ze hebben amper morele beperkingen, ze geloven aan niets, ze zijn ongebonden en laten zich door amper enige wet en geen autoriteit hinderen. Al deze eigen­schappen maken elfen tot het lievelingstype van de powergamer. Alleszins is dit niet de reden waarom het elfse wereldbeeld in het spelsysteem geslopen is, want DSA4 heeft tot vooropgesteld doel geen anti-powergamer-regels te maken, maar een afgerond stemmig systeem te bieden. Met al de aspecten die elfen moeten hebben, waren ze echter zonder dit nadeel zondermeer buiten het betaalbare genererings­systeem gevallen. Ze zouden onbetaalbaar geworden zijn. DSA4 probeert een min of meer fair genere­ringssysteem te bieden. De elfen moesten hierin ingepast worden en zonder dit nadeel zou dit niet mogelijk geweest zijn.
Persoonlijk echter heeft mijn levenservaring mij in de laatste 30 jaren toch iets bijgebracht (en ik probeer het proces van het ouder worden zeer bewust te beleven, want het schept vreugde en is “worth the ride”): Men leert gemakkelijker in zijn jeugd. Dit betekent niet dat ik ga lamenteren over de goede oude tijd. Het staat echter als een paal boven water dat men met het ouder worden indirecter leert: Men kan de dingen beter in een context plaatsen, verkrijgt sneller een overzicht en men maakt keuzes over wat belangrijk is om aan te leren. Wanneer ik dit nu in gedachten combineer met het feit dat elfen een ander gewicht leggen over wat belangrijk is om te leren en wat niet, dan is het elfse wereldbeeld duidelijk zinvol. Het zou bijvoorbeeld niet echt gemakkelijk zijn om een vroeg-Viktoriaanse gentlemen bij te brengen om zich aan te passen aan onze open en relatief onverkrampte en ten dele gelijk­berechtigde maatschappij. Hij zou niet inzien waarom en vanwege zijn opvoeding en zijn waarden en normen zou hij zich daartegen regelrecht verzetten.
Eén aspect vind ik echter in de nieuwe voorstelling van de elfen bijzonder fijn: elfen zijn niet tof. Elfen zijn geen müslivretende vegetariërs, die elk moederloos reebokje aan hun eigen borst grootbrengen. Elfen zijn vreemd, elfen zijn mystiek, maar voor alles zijn elfen anders en dat heeft hoofdzakelijk betrekking op hun moraal. Het is geen wonder dat elfen in Shadowrun bijvoorbeeld graag als latente (of duidelijke) fascisten overkomen: Elfen zijn de betere mensen en in ’t bijzonder in DSA hebben zij meer gemeen met Darwin dan met Tolkien, met dien verschille dat het Darwinisme voornamelijk betrekking heeft op de dierenwereld en de elfen daarboven staan. Bovendien denk ik dat het beeld van Tolkiens elfen veel onschuldiger is dan hij ze beschrijft. Men mag daarenboven echter de mystiek niet vergeten en daarom heb ik met mijn elfenvoorstelling altijd geprobeerd het volgende naar voor te schuiven: Elfen zijn magie.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

DAS SCHWARZE AUGE und AVENTURIEN sind eingetragene Warenzeichen der Firma Ulisses Spiele, (ehemalig FanPro). Copyright (c) 1997. Alle Rechte vorbehalten. Dieses Dokument enthält nicht-offizielle Informationen zum Rollenspiel Das Schwarze Auge und zur Welt Aventurien. Diese Informationen können im Widerspruch zu offiziell publizierten Texten stehen.

 

 


[1] Los: Oergod die met de oerreuzin Sumu worstelde zodat door dit gevecht de wereld, de goden en alle levende wezens ontstonden.

[2] Zwartpelsen: andere naam voor de orks vanwege hun zwarte haar over bijna het ganse lichaam.


[1] Daera: planeet, wereld waarop de continenten Avonturië, Guldenland en Reusland zich bevinden.

[2] De werkelijkheid zou uit 7 sferen bestaan, die zoals schillen rond elkaar liggen, met daartussen de limbus. De buitenste sfeer is niet afgebakend en is de sfeer van de ultieme chaos, de demonenwereld. Daera ligt in de derde sfeer.

[3] De Naamloze: god van chaos, vernietiging en verwoesting, personificatie van het oerkwaad; tegenstander van de Twaalven; van zijn naam ontdaan en als straf geketend in de demonenbres.

[4] BV: Bosparans Val, één der belangrijkste door mensen gebruikte tijdrekeningen. Het huidige tijdperk is 1031 BV, wat overeenkomt met 2008 in de Aardse jaartelling.

[5] Angroschim: benaming die de dwergen aan zichzelf geven.

[6] Achaz: benaming die de hagedismensen aan zichzelf geven (uitgesproken “achats”)

[7] Geode: dwergdruïde

[8] Vanwege hun aanbidding van Pyrdacor waren de spitsorige, tovervaardige elfen, in de ogen van de dwergen, evenzeer vijanden als de draken. Pas nadat de elfen zich twee millennia later van de goddraak hadden afgewend en Pyrdacor in een goddelijke strijd door de hoge draak Famerlor werd gedood, zwakte deze vijandschap af, maar liet sporen na t.e.m. de huidige tijd.

[9] Oorspronkelijk Pyrdona, later in het isdira Bhardona, de ‘begeerte-veroorzaakster’.

[10] Deze theorie is onder onbesuisde vrijdenkers onder de mensen ook bekend als de ‘magiërsfilosofie’.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s